Talmt de Heer? Het uithouden in de tijd van wachten

Het nieuwsbericht op het ochtendjournaal is zelden een opbeurend morgengebed. Doden en schade bij een aardbeving in Mexico, atoomproeven door Noord-Korea, de schietpartij in Las Vegas, vluchtmisdrijf na aanrijding, verwoestingen door orkanen.

Enkele minuten later begint de eucharistie en horen we andere woorden. Het lijkt op een breuk tussen de nieuwsberichten en dan de vrome inleidingen in de liturgie Wij belijden dat God ons tegemoet komt, dat hij onze zorgen kent, dat hij bron van vrede is. Hoe raken die twee werelden elkaar? Hoe kan lijden en God samengaan, hoe kunnen er slachtoffers zijn in een wereld, waarvan we zeggen dat God van de wereld houdt? Wij voelen ons zoals die vrome jood, die uitziet naar de Messias en elke ochtend het raam opent en kijkt of de Messias is gekomen en telkens mistroostig antwoordt: “Neen, hij is nog niet gekomen, de wereld is nog niet veranderd.”

Gelovigen hebben allicht in alle tijden geworsteld met de vraag naar de band tussen onze geschonden wereld en een God van wie we hopen dat hij heelheid bezorgt. Toch zijn ze dankbaar om woorden van hoop die hen geschonken worden in de Schriften. De profeten hekelen de ongerechtigheid. Ze klagen aan wanneer Israël zijn Heer vergeet en zijn geboden misacht. Zij blijven proclameren dat God met zijn volk begaan is. Jesaja gebruikt en velen met hem het beeld van God als Herder. “Uw God is op komst! Als een herder zal hij zijn schapen weiden, in zijn armen ze samenbrengen, de lammeren dragen tegen zijn boezem, de schapen met zachte hand geleiden” (Jes. 40,10-11).

 

Kracht van woorden

Er is van deze woorden kracht, hoop en verwachting uitgegaan. Tijdens de ballingschap, een van de moeilijkste tijden voor Israël, klonken de woorden van een profeet als woorden van troost, woorden van een nieuwe toekomst, Ze hebben de ballingen op weg gezet, terug naar Israël, terug voor de heropbouw van de tempel en van het volk.

Toch is na de ballingschap het ideale Israël niet gekomen. Vreemde legers hebben het land opnieuw bezet. Mensen worden uitgebuit. De profetische wind lijkt uitgewaaid. Daar komt een nieuwe wind vanuit de woestijn. Johannes leeft in de woestijn en mensen horen zijn stem. Hij roept op tot ommekeer. Bekeer u. Waag je op een nieuwe levensweg. Richt je op het spoor van Christus die zal komen. Elke dag zijn er mensen die inzien, dat ommekeer nodig is. Het is niet goed als enkel het eigen ik vooropstaat, als we steeds verder ingaan op het opbod van consumptie en winstbejag. Raakt het ons dat een op zeven landgenoten de meet niet halen en onder de armoedegrens leven? Wat dragen we bij aan de campagne van Welzijnszorg Samen tegen armoede? Delen we hun inzet en van veel andere tot verbetering. Kijk om je heen en ga niet onverschillig voorbij. Johannes roept op om Jezus, de komende te ontvangen en voor hem een weg te bereiden. Geven we aandacht aan mensen die de weg wijzen en er zelf stappen op zetten? Zijn we zelf zulke mensen?

Onze levensvragen

Jezus is gekomen, maar dat lijkt al zo ver weg. En dat hij zal wederkomen lijkt nog verder af. Velen zijn daar niet mee begaan. Welke zijn de grote levensvragen? Einde september 2017 publiceerde De Standaard het resultaat van een bevraging daarover. Vooraf hadden mensen gereageerd op stellingen over geld, veiligheid, burgerzin, democratie, vrouwenrechten, gezondheid, eenzaamheid, zin van het leven. Er was een vraag of er iets is dat ons overstijgt, over de doodstaf en of wij positief naar de toekomst kijken. Gezondheid stond voorop en vragen over wat ons overstijgt en wijst naar transcendentie en God komen achteraan. “Dat is een eerste grote conclusie. Dat God hooguit één op de vijf Vlamingen beroert, en gezondheid voor bijna iedereen primordiaal is, illustreert hoezeer zingeving een zaak is geworden van het individu, in het heden. Niet de vraag of er leven is na de dood houdt mensen bezig, wel de vraag of ze zo veel mogelijk leuke dingen zullen beleven en of ze een goeie oude dag zullen hebben.”

Verwachten en verhaasten

Wacht niet op de toekomst / Dan kom je steeds te laat / Wacht niet op de toekomst / We leven hier vandaag” (Niels Destadsbader).

Wachten is moeilijk. "L’espoir fait vivre, mais une longue longue espérance fait mourir” was een uitspraak van Victorine van de poetsdienst in het militair hospitaal in Brussel, waar seminaristen hun legerdienst deden. Kende ze het boek Spreuken? “Een langgerekt hopen maakt het hart ziek” {Spr.13:12}. “Hoffen und Harren macht manchen zum Narren.” Dit spreken gelijkt op wat de spotters zeiden tot en over christenen in het begin van de tweede eeuw (2 Petr. 3,3). Ze lachten hen uit omdat zij wachten op de Heer, die toch niet komt!

De tweede Petrusbief is het jongste schrift van het nieuwe testament. De auteur van dit schrijven weet van de ontmoediging bij christenen omdat de Heer zo lang uitblijft. Hij zegt aan zijn lezers van toen en nu dat de Heer zal komen. Maar Gods uurwerk tikt anders dan het onze. “Voor hem zijn duizend jaar als een dag.” Hij dringt er op aan dat wij de tijd die ons gegund wordt, goed gebruiken en beleven. Dit doen we door smetteloos, onberispelijk en in vrede te leven. Zo brengen wij de gerechtigheid dichterbij nu en in de toekomst. Als adventsmensen kijken we verder dan onze neus lang is.