Baan de Heer een weg in de steppe (2011)

 

Waar haalde de leraar in de poësis het vandaan om als titel voor een opstel of ter inspiratie voor een opgelegd gedicht volgende tekst mee te geven: “Super flumina Babylonis” ?  “Aan Babels stromen zaten wij gevangen.  Daar weenden wij van weemoed en verlangen” (ps. 137).  Wou hij de internen ter wille zijn die misschien het internaat als een ballingschap beleefden en zongen “voor de deur die open staat” (ZJ 418) ?

Een ballingschap, die je niet toelaat naar je land terug te keren, is zwaar.  Moet je blijven hopen op beterschap of je aanpassen, huizen bouwen, zich in het nieuwe land vestigen ?  Het waren vragen die de ballingen uit Israël zich in Babylon hebben gesteld.  Waar hadden ze het verdiend en wat was er verkeerd gegaan ?  De profeet Jesaja had laten aanvoelen dat de dag zou aanbreken dat het huis van David en het huis van Jahweh zouden vernietigd worden.  Hij had tevens al woorden van hoop aangereikt aan een groep getrouwen, aan een kleine rest: “Geef kracht aan trillende handen, maak knikkende knieën sterk.  Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met zijn wraak.  Gods vergelding zal komen, hijzelf zal jullie bevrijden” (Is. 35, 3-4).

Tijdens de ballingschap is Jesaja er niet meer.  Onder de ballingen zijn andere profeten opgestaan.  Met het vertrouwen van Jesaja spreken ze hun mensen moed in en houden hun een nieuwe toekomst voor ogen.  “Troost, troost mijn volk, spreek Jeruzalem moed in.”  Deze woorden zijn niet bedoeld als goedkope troost met sussende woorden zoals: “het zal wel voorbij gaan; leer er mee leven; de tijd heelt de wonden.”  De profeten bieden een perspectief aan.  Ze stellen een nieuwe uittocht in het vooruitzicht.  God zal zijn volk laten terugkeren.  Hun woorden zijn voor de ballingen stevige kost zodat deze kunnen geloven dat er betere tijden komen.  Ze gebruiken een poëtische en een visionaire taal.  Ze helpen opdat het volk - althans een aantal onder hen - zou vasthouden dat God trouw is.  Het gras verdort, maar Gods woord houdt altijd stand (Jes. 40,8). 

Zij zingen om niet te verzuren.  Ze hebben het over een lange weg die getrokken wordt door de woestijn.  Dit is geen inbeelding.  Emigraties, volksverhuizingen, handelsbetrekkingen zijn langs de oude karavaanwegen gegaan.  De zijde route uit China had een vertakking door Turkije naar het Westen en een andere door Syrië en Palestina naar Egypte.  De toerist in de eenentwintigste eeuw komt onder de indruk van wat eertijds grote steden zijn geweest of nog zijn: Aleppo, Palmyra, Apamé, Damascus, Baälbek, Jerash, Petra.  Voor de kinderen in Palestina, voor de kleine Johannes en voor Jezus waren het ongetwijfeld evenementen als karavanen dicht bij hun streek voorbijtrokken, mensen die van verre kwamen en nog verre moesten gaan. 

De vreugde over het handelen van God ten opzichte van Sion weerklinkt van de bergen en weergalmt alom.  Wat gebeurt er als God met zijn volk is, als hindernissen opgeheven worden, als het onrecht gedelgd wordt ?  Het is een poëtische en warme taal.  Woorden zetten mensen in beweging, maar woorden hebben ook mensen misleid.  De woorden van een Führer hebben oorlogen uitgelokt en ze hebben miljoenen mensen in de dood gestort. 

I have a dream’, zo sprak Martin Luther King tot 200.000 toehoorders.  Hij heeft hun emancipatie vooruit geholpen zodat een zoon van een blanke Amerikaanse vrouw uit Arkansas, christen van links en van een Keniaanse moslim, president van de Verenigde Staten is kunnen worden. 

We krijgen de troostwoorden uit de bijbel om ze te herlezen.  We laten de verbeelding werken bij beelden als ‘rotsen die vallei worden’ en oneffenheden vlak.  Wij kunnen deze taferelen hertalen naar onze tijd en zoeken hoe ze bevrijding en hoop kunnen brengen, daar waar we vastzitten, waar mensen worden gepest, waar armen geen kansen krijgen, het kapitaal de plak zwaait.  We denken aan de geslaagde redding van mijnwerkers in Chili, aan het einde van het huisarrest in Myanmar van Aung San Suu Kyi, aan de val van de Berlijnse muur, aan het terugvinden van ouders die jaren spoorloos waren. 

Bijbelse taal is inspirerende taal.  Waarom schreef Johannes van het Kruis zijn gedichten ?  In een interview met IPB Transparent getuigt prof. Johan Verstraeten over spirituele kracht en over de betekenis van de taal hierbij: “Er is een taal die spreekt over kennis in de vorm van bewijsbare gegevens en cijfers.  Die ligt voor de hand in onze economische en wetenschappelijke wereld.  Maar daarnaast is er een taal die inspiratie geeft en spiritualiteit verwoordt.  Het is een taal waarin ook metaforen en beelden thuishoren.  Een taal die zinzoekers raakt.  Ik geloof dat het christendom een enorme kracht heeft om de cultuur van binnenuit te humaniseren en te inspireren.  We moeten geen massabeweging willen zijn maar kunnen als gist in het deeg betekenisvol aanwezig zijn.  Mensen in contact brengen en leren omgaan met schoonheid, met liturgie, vanuit een innerlijke gedrevenheid.

Samen met niet-christenen proberen we de wereld meer bewoonbaar te maken.  Ons model van menselijkheid is Jezus Christus.  Die laat ons zien hoe God de mensen graag ziet.  ‘Human florishing’ is Gods diepe verlangen.  Wie als mens die kracht tot leven ervaren heeft, wil zelf ook beminnen en doorgeven wat hij of zij zelf ontvangen heeft” (IPB-Transparant, jrg. 14,1).  Zo iemand maakt de troost concreet, waarover we in het Rorate Caeli zingen.  Hij laat Gods komen aanvoelen zodat angst en vrees verdwijnen.