1e zondag van de advent (2002)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 554 niet laden
De lezingen van vandaag laten ons zien dat ons als mensen veel is toevertrouwd, maar dat het tegelijkertijd niet vanzelfsprekend is dat wij daar zorgzaam en behoedzaam mee omgaan.

De lezing van Jesaia gaat over de tijd ná de Babylonische ballingschap. In Babel had het gedeporteerde volk Israël in alle ellende de hoop op een nieuwe toekomst in dromen en visioenen bewaard. Ooit zou het beter worden, ooit zou het volk terugkeren naar Jeruzalem en daar een gemeenschap van solidariteit stichten, rondom een nieuwe tempel met Jahwe God als heilig midden. Er zouden geen noodlijdenden meer zijn, ieder zou opkomen voor zijn of haar zusters en broeders, want de ballingschapstijd was een harde les geweest. Zoiets nooit meer!! En dan zíjn ze terug, de ballingschap is voorbij, maar de ellende geenszins. Behalve dat er weer nieuwe vijanden van buiten opduiken, zijn er ook vijanden van binnen uit. De rijke bovenlaag van de bevolking eigent zich de tempelbaantjes toe met riante inkomens, de priesters leggen het volk zware offerlasten op de schouders en van solidariteit en omzien naar elkaar is weinig sprake. Misschien lijkt onze tijd daar af en toe ook een beetje op als we naar het politieke klimaat in ons land kijken....

Maar er zijn er enkelen die doorhebben wat er aan de hand is en één van hen is een leerling van de grote Jesaia, die in de Schrift dezelfde naam draagt als zijn grote voorganger.We noemen hem Trito Jesaia, derde Jesaia. Jesaia betekent letterlijk: de Heer redt, het is dezelfde naam als Jezus! Jesaia ziet niet alleen wat er aan de hand is in Israël, maar hij heeft ook die oude droom, dat oude visioen bewaard. Het visioen van heelheid, van gerechtigheid en vrede voor iedereen. En dan komt hij met al zijn passie en hartstocht in het geweer. Hij gaat bidden en smeken tot God op een ontroerende manier. Hij spreekt God aan op het mislopen van alles. Jij God weet toch hoe zwak we zijn, Jij kent toch onze valkuilen, ons egoïsme, onze hebzucht. Waarom heb je niet op tijd ingegrepen, waarom heb je ons maar laten aanmodderen? Hij spreekt Jahwe God aan op zijn eigen naam: de Naam die zegt IK BEN ER VOOR JULLIE. Hij spreekt God aan op zijn hart, op zijn mededogen. En hij roept: waar ben Jij nu? Wees er toch! Kom toch in Godsnaam - letterlijk in Gods Naam! - te voorschijn. Verberg je gelaat niet voor ons. Wij zijn toch door jou gemaakt zoals leem in de hand van de pottenbakker. Kom, en kneed ons opnieuw tot mensen van Jou.

Het is een prachtig gebed! Een gebed van verlangen, van enorm vertrouwen ook! Er staat zoiets als: ik weet dat Jij Jahwe ons niet aan ons lot overlaat, daarvoor houd Je teveel van ons. Je kunt me mijn vertrouwen niet afnemen, ondanks alles wat er met ons gebeurt. Ik ken je toch! Je hebt ons toch altijd je vertrouwen gegeven. En dat kun je niet verloochenen Jahwe!

 

 

 

De eigenaar van het huis in het verhaal van Markus heeft ook een groot vertrouwen. Hij moet op reis, maar dat is geen probleem. Hij beschikt kennelijk over prima personeel, mensen die hij zijn zaken kan toevertrouwen. Hij gaat met een gerust hart, al heeft hij wel aangedrongen op waakzaamheid, vooral in de donkere uren van de dag: van de avond tot en met het morgengloren want in die tijd kan er van alles gebeuren wat het daglicht niet kan verdragen. Logisch. Het duister is de dekmantel voor dat wat niet gezien mag worden. Maar de waarschuwing krijgt nog een andere laag mee: niet alleen moet je waakzaam zijn tégen onheil - tégen wat het daglicht niet kan verdragen, dieven en zo - maar ook moet je juist als het donker is en je verlangt naar slaap, helemaal op scherp staan vanwege de mogelijke terugkomst van de eigenaar. Het duister is ook de tijd van HET MOMENT, het moment van de terugkomst van de Heer. Het moment voor Zijn Liefde. Hij kan zó maar komen! En juist als je het niet verwacht. En daar moet je rekening mee houden laat Markus Jezus zeggen. Niet vanuit angst van o als ik maar niets fout doe, maar juist vanuit liefde en betrokkenheid op die eigenaar die immers alles aan zijn dienaren had toevertrouwd, zijn hele hebben en houwen.

 

De knechten en de poortwachter in het verhaal, dat zijn wij, wij mensen. De eigenaar van het Leven heeft zich min of meer teruggetrokken uit zijn schepping en ons álles toevertrouwd: álles, ons leven, onze relaties, onze kinderen, onze bezittingen, onze talenten, alles om ons heen, de hele schepping. Alles is ons in handen gegeven, wij mogen er vrij mee omgaan, van genieten ook, maar het IS NIET VAN ONS, het is niet ons bezit, het is aan onze zorg TOEVERTROUWD. Daar mogen we wel eens bij stilstaan, want dat vergeten we gemakkelijk, ik tenminste wel. We gaan er min of meer van uit dat we recht hebben op alles wat we bezitten, op alles wat er is en dat is een grote vergissing. Het leven is puur genade, gegeven om niet.

Er wordt nogal eens gemopperd over de vervlakking in onze samenleving, over de toename van agressie en geweld, over de overlast van de jeugd. Maar op wiens bordje ligt dat? Op ons eigen bordje! Ons is immers alles toevertrouwd, misschien hebben we er te weinig aan gedaan om met zorg hiermee om te gaan. De jeugd is de spiegel die ons wordt voorgehouden. Een spiegel waar we iets van kunnen leren. Daar moeten we niet terneergeslagen van worden, maar we zouden met een nieuw élan eraan moeten gaan staan . Er is altijd groei mogelijk, het kan altijd beter gaan, het ligt in onze eigen handen.

Ook wij dragen diep in ons hart een visioen! Juist als het donker is hopen we op licht, juist in verdriet en onmacht verlangen we naar betere tijden. En als iemand bij pakken neer gaat zitten willen we die opbeuren en hoop geven. Net als Jesaia in zijn tijd, net als die mensen toen. En ook nu mogen we erop vertrouwen dat de Eigenaar en Schenker van alle leven geraakt kan worden tot in zijn Naam IK BEN ER VOOR JULLIE. Laten we even hartstochtelijk als Jesaia Gods hart beroeren! Laten we hem aanspreken op zijn Liefde. Laten we vertrouwen. Echte bidders laten zich opnieuw vormen in die hand van de pottenbakker. Door te vertrouwen op Gods goedheid zullen ze zelf het goede doen en zich laten kneden tot mensen die zich inzetten voor een wereld van liefde en gerechtigheid. Hele mooie woorden, oude woorden ook, maar woorden die in de realiteit steeds opnieuw bevochten moeten worden. Het gaat niet vanzelf, het kost iets, het kost zelfs veel, de prijs ervan is onze liefde, door God zelf in ons neergelegd. Maar zouden we iets anders willen dan liefde geven? Als we aan Kerstmis denken is dat toch juist een feest van liefde, waarbij we elkaar het beste en lekkerste en mooiste gunnen? In deze gebaren drukken wij uit wat wij zelf verlangen en hopen, mooier kan het eigenlijk niet.

Mogen we zo vol verwachting de Adventstijd ingaan.