Advent, langer dan vier weken

Vandaag begint de rest van ons leven.

Vanaf ons eerste levensjaar is elke dag een verjaardag. Maar we houden van bepaalde data, waarop we gedenken en vieren. Ze herinneren aan wat voorbij is en richten ons op wat voor ons ligt. Bij de jaarwende staan we even stil bij de tijd met jaaroverzichten en prognoses.

Als christen bidden we tot de Heer van de tijd. Hij die is, die was en die komt (Op.1,4). Hij bestaat van in eeuwigheid en duurt tot in eeuwigheid voort. We hebben moeite om te zeggen wat de tijd is en nog meer om te verwoorden wat eeuwigheid is. Gisteren is wat voorbij is, morgen is wat nog komen moet. Wij hebben enkel het heden, dat zo meteen voorbijgaat. “Doordat een mens zichzelf verzamelt in verwachting en herinnering, ervaart de mens tijd” (M. Schrama in een nummer van Communio, nr. 6, 2016, gewijd aan Tijd en eeuwigheid).

'Wat is de tijd? Wanneer niemand het me vraagt, weet ik het. Wil ik het echter uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet.” (Sint Augustinus).

Tijdens de advent verdiept de christen het besef dat onze tijd gedragen is door en verbonden is met God. Wij belijden dat God door Jezus in onze geschiedenis is binnengetreden en dat Hij onze toekomst is. Wij herdenken in de Advent deze tijd van wachten, waarbij profeten ons hebben geholpen en nog helpen. Ze duiden de tijd en onze opdracht daarin. “Menigmaal hebt Gij aan de mensen een verbond aangeboden en hen, bij monde van de profeten, gesproken over hun heil in de verte” (Eucharistisch Gebed 4).

Op de adventskrans staan vier kaarsen, vier maal duizend jaar, een lange tijd van wachten tot het volle licht brandt, dat Jezus zelf is (Joh. 1, 4-5) Wij danken Jezus en wij gedenken wat hij heeft beleefd en doorstaan op deze aarde.

Doorheen het kerkelijk jaar vieren we de mysteries van Jezus, vooral zijn dood en verrijzenis. We kijken uit en verlangen naar het einde van de tijd. De Kerk “herdenkt elke week, op de dag die zij de dag des Heren heeft genoemd, de verrijzenis van de Heer, welke zij ook eenmaal in het jaar, samen met zijn zalig lijden, luisterrijk viert door de grote pasplechtigheid. Zij ontvouwt het gehele mysterie van Christus door de jaarkring heen, vanaf de menswording en de geboorte tot de hemelvaart, de pinksterdag en de afwachting van de zalige hoop en de verschijning van de Heer” (Constitutie over de Liturgie, 102).

Jezus blijft bepalend voor de geschiedenis. Hij richt zijn volgelingen op het komen van het rijk. Hij wou gerechtigheid. Hij verwacht dat wij dit doorzetten en leven als mens van de zaligsprekingen. Op het einde van her kerkelijk jaar komt hij naar ons toe als koning van het heelal, die allen naar zich toetrekt. Met de profeten, met het joodse volk, samen met Jezus en met alle christenen bidden wij tijdens de Advent en elke dag van het jaar: “Uw Rijk kome.”

Advent is herinnering en toekomst. Wij zoeken niet naar de God van gisteren, maar verlangen naar Hem, die ons het heden en de toekomst schenkt. Hij is niet de God van achteruit naar van vooruit.

Laat hij ons vinden waakzaam

Jezus heeft zijn leerlingen opgeroepen tot waakzaamheid. Hij doet dit elke dag. Ben ik klaar, wanneer hij komt, onverwacht?

Hij vraagt ons waakzaam te zijn over wat God ons heeft toevertrouwd, waakzaam voor de schepping, zorgzaam voor de mens;

Waakzaam opdat God alles in allen mag zijn.

Waakzaam om Gods sporen te zien en de tekenen van de tijd.

De advent is een gevulde tijd. Pierre-Yves Emery, Broeder van Taizé, kent goed de- geschriften van de heilige Bernardus. Hij vindt bij hem een visie over de tijd.

Hij formuleert zijn vraag naar de tijd als volgt:

“De tijd, een kwelling;

Hij vliegt voorbij en wat zal er van overblijven?

Hij gaat voorbij en snelt naar zijn einde;

Ons einde.

De eeuwigheid, een kwelling.

Hoe zich verheugen in een niet eindigende duur,

Waar niets staat te gebeuren?

Daarop zegt Bernardus:

En zo de tijd ons gegeven is om in ons een volheid voor te bereiden.

En zo de eeuwigheid ons is beloofd als een zuiver moment van geluk waar deze volheid niet ophoudt te komen.

Waarom er zich niet van nu af over verheugen!”

Het ‘hier en nu’ en het ‘hiernamaals’ zijn voor een christen niet te scheiden.

Eeuwigh gaat voor oogenblick” (Vondel). Het doordringt elk ogenblik en laat het ons beleven als Gods heden. Frère Roger sprak en schreef over ‘l’aujourd’hui de Dieu’, God in elk ogenblik! In het heden klinkt zijn stem!

“Laat Hij ons vinden, waakzaam, biddend, vol van dat geheim, zingend van alle grote dingen, die Hij heeft gedaan” (Adventsprefatie).