2de zondag van de vasten A (2014)

Sinds een poosje zijn er TV programma's over emigrerende Nederlanders. Niet alleen mensen die in het verleden zijn geëmigreerd, maar ook zij die nu de stap wagen. Hun idealen, de hindernissen, de successen en mislukkingen. Het zijn levensverhalen waar graag naar gekeken wordt.

Hoe zou het zijn als een paar duizend jaar geleden zo'n uitzending gewijd was geweest aan Abram. Beste mijnheer Abram, kunt u iets vertellen over het land waar u naar toe gaat? Wat zoekt u daar, wat trekt u, wat wilt u er gaan doen.

Het spijt me, zegt Abram; ik weet niet waar ik heen ga. O, u gaat een wereldreis maken? Nee, dat ook niet. Maar waarom gaat u dan weg? U neemt alles en iedereen mee. Hebt u het hier wel gezien? Zoekt u het avontuur? Nee, ik ben helemaal niet op avontuur gericht. Ik zie de interviewer al op zijn hoofd krabben; wat wordt dat voor uitzending? Maar waarom gaat u dan weg? Omdat God me roept, zegt Abram.

Het lijkt in deze tijd een vreemd argument en ik denk dat het in zijn tijd net zo vreemd klonk. Goden hoorden bij landen. Daar hoorden godenbeelden bij en tempels. Families hadden goden. Koningen hadden goden. Er was een godenhierarchie en daar moest je niet aan tornen. Maar Abram heeft een band met een onbekende God, een God die tot hem spreekt. “Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u zal aanwijzen. Ik zal een groot volk van u maken.” Hebben zijn nazaten ooit echt rust gehad? Zijn nazaten naar het vlees en zijn nazaten naar de geest? Heb je hier op aarde nog wel een definitief thuis? God zegt: “ … naar het land dat Ik u zal aanwijzen.”

Wanneer Jezus rondtrekt en zijn leerlingen roept, zegt Hij: “De tijd is vervuld, het Rijk Gods is nabij, kom, volg Mij”? Maar Hij zegt ook: “De komst van het Rijk Gods kunt ge niet waarnemen. Men kan niet zeggen: Kijk, hier is het, of daar is het. Want het Rijk Gods is midden onder u (Luc. 7,21).” Dat is dus echt iets anders dan bij Abraham. Het gaat niet langer om een concreet land, een gebied, een plek op aarde, hoe belangrijk dat ook is; het gaat om het Rijk Gods. Maar als je het niet kan zien, hoe kan je er dan binnengaan? De afgelopen weken hoorden we Jezus nog zeggen: “... Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen (Matteüs 5,20).” Het Rijk Gods, het Rijk der hemelen, waar spreekt Jezus over?

Jezus neemt zijn leerlingen mee de berg op. “Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: Zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht. Opeens verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden.”

Wie is Hij toch? De leerlingen hadden zich dat al eens afgevraagd. Bij de storm op het meer: “Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen? (Marcus 4,41)” Wie is Hij toch? Heeft dat misschien iets te maken met dat Rijk van God dat midden onder ons is? Johannes de Doper had al een keer gezegd: “Ik doop met water, maar onder u staat Hij die gij niet kent, Hij die na mij komt; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.”

Boven op de berg zien de leerlingen Jezus zoals Hij werkelijk is, in zijn glorie. Petrus heeft het nog niet door. Hij wil drie tenten bouwen, zoals op het loofhuttenfeest. Drie leerlingen, drie profeten, dat komt mooi uit, drie tenten. Maar God de Vader komt tussenbeide: Nog had Petrus niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit de wolk klonk een stem: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld; luistert naar Hem.”

Als Petrus bijgekomen is van de schrik en opkijkt om te zien wie van de drie dan de Welbeminde is, in wie God zijn welbehagen heeft gesteld, dan ziet hij, geen Mozes, geen Elia, maar alleen Jezus. Alleen Jezus. Niets meer, en niets minder. En zo geeft God zelf antwoord: Wie is Hij? Hij is de welbeminde, in wie God zijn welbehagen heeft gesteld. Naar Hem moeten wij luisteren.

Deze veertigdagentijd mag een tijd van luisteren zijn, vooral luisteren naar de Zoon, want zo ontdekken we wat God wil, waar God behagen in heeft en zo mogen we zelf meer en meer Gods veelgeliefde kinderen worden in wie Hij zijn behagen stelt. Een veertigdaagse luisteroefening, om ook meer te luisteren naar de naaste, naar de mens in nood, te luisteren tussen de regels door. Luisteren als mensen praten over de alledaagse dingen, zelfs de stoere verhalen of de opschepperige anekdotes en dan horen wat eronder schuil gaat. Meestal wordt zo de onzekerheid gemaskeerd. Wanneer we zo luisteren kunnen we ook gaan zien wat er achter het masker schuilgaat.

De leerlingen moesten gaan zien wat er achter die eenvoudige buitenkant van Jezus schuilging. Zo moesten ze oog krijgen voor de grote plannen die God ook met hen had. Geen grote plannen in de sfeer van de wereld, maar grote plannen in het heel-maken van ons hart, in het uitgroeien naar Gods bedoeling, volwassen worden als kinderen van God, gezonden als vertegenwoordigers van de Zoon, om in deze wereld Gods koninkrijk nabij te brengen. Amen.