Door u zal zegen komen (2014)

 

In de A cyclus is de veertigdagentijd een uitstekende tijd voor de doopcatechese. We doorlopen in de veertigdagentijd de grote perioden van de heilsgeschiedenis: schepping, roeping van Abraham, Mozes in de woestijn, zalving van David, Ezechiël en Gods beloften. De hoogtepunten uit het eerste verbond worden herdacht in de paaswake.

Toni Zenz maakte een sculptuur, waarin hij een man uitbeeldt: de staf in de hand, de mantel om de schouders, een heel groot oor, gekeerd naar de stem die zegt: “Trek weg uit uw land, uw stam, en ouderlijk huis, naar het land dat ik u wijzen zal en Ik zal u zegenen zodat gij een zegen zult zijn voor velen” (Gen. 12,1-4). Abraham was een man met een groot oor om het ongehoorde te horen.

God bron van alle zegening

Aan Abraham, een Chaldeeër, wordt gevraagd zijn land te verlaten. Geloven houdt verband met loslaten en zich aan het nieuwe wagen en er zich aan binden. Abraham vertrekt met een belofte en een zegen. Deze weg is echter niet rechtlijnig en gaat door beproevingen. Geloven is geen autostrade, recht naar doel. Groeien in geloof, het gaat langs hoogtes en laagtes. (Over de evolutie van de zintuigelijke Abram tot Abraham, de aartsvader van het geloof en over de verandering van zijn naam zie: Luc Anckaert, Roger Burggraeve & Geert Van Coillie, Abraham en Odysseus. Over belofte, nostalgie en geweld, Altiora, Averbode, 2013).

Abraham is geprezen als de vader van het geloof, in wie Joden, christen en moslims een gemeenschappelijk vertrekpunt hebben.

Volgens de Bijbel is God de bron van alle zegening. “Vanaf het begin tot aan het einde van de tijden is het hele werk van God zegening. Vanaf het liturgisch-dichterlijk werk over de eerste schepping tot aan de lofzangen van het hemelse Jeruzalem, verkondigen de geïnspireerde auteurs het heilsplan als een immense goddelijke zegening” (KKK 1079).

God is de oorsprong van alle goede gaven. Hij laat de mens, alleen en in gemeenschap, groeien tot ‘meer’. Zijn beloften zijn naar een toekomst gericht, die open is. Zijn beloften omvatten veel: materiële dingen, de welstand die hij aan Abraham belooft, de zorg voor het volk dat hij binnenleidt in een land.

De beloften, gericht aan Abraham en zijn nakomelingen, zijn niet ingetrokken. De al te materialistische invulling ervan is tot op onze dagen oorzaak van onvrede. Zo vaak is Gods belofte gelijkgesteld met materieel goed, met het bezit van grond en land, met macht en aanzien. Dit alles kan eensklaps verdwijnen.

God, zet ons op weg als Abraham,

die het hele land heeft doorkruist
dat Gij hem hadt beloofd
maar er altijd een vreemdeling is gebleven.

Als wij zelfvoldaan beslag leggen op enig land,
als we ons vastzetten en vestigen,
maakt gij ons dan vrij en zet ons weer op weg
met als enige zekerheid uw beloften,

die onze aandacht altijd naar de toekomst richten.

Zo maakt Gij ons tot mensen van verlangen.”

(Frans Cromphout).

In zijn Romeinenbrief legt Paulus uit dat de belofte van God universeel is en tot ons komt langs Jezus, de echte nakomeling van Abraham. Abraham, een heiden, een godloze (Rom. 4) was geroepen om stamvader te worden van vele volkeren. (Gen 15,5) en om zegen te zijn. In hem (Gen. 12,3;18,8) en in zijn nakomelingen zijn alle volkeren van de aarde gezegend. Paulus laat niet na te onderstrepen dat Israël geroepen blijft en geënt is op de olijfboom. God trekt zijn zegen niet terug van zijn volk. Zonder Israël blijft de kerk een fragment (J. Gnilka). Paulus wijst hen terecht die vanuit hun roeping op anderen neerzien. (Rom. 11,17).

Hem loven en danken

Gods belofte en zegen tonen zich vooral in Jezus. Hij belichaamt het “ja” van God en lost alle beloften in (2 Kor. 1,19-20). Het beste dat Paulus zijn lezers toewenst, is samengevat in de heilwens, waarmee hij zijn tweede brief aan de Korintiërs besluit: “De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen” (2 Kor. 13,13). De eucharistie begint vaak met deze zegenbede. In elke liturgische handeling erkennen de gelovigen God als Vader en bron van alle zegeningen. Hij is de schepper van alle goeds, die het heil schenkt in Jezus en in de gave van de Geest.

Daarom loven en prijzen we Hem: “Gezegend zijt Gij God, Heer van al wat leeft.” De christelijke liturgie is door aanbidding, lofprijzing en dankzegging een gelovig en liefdevol antwoord op de zegeningen die de Vader ons schenkt. De kerk biedt in de liturgie aan de Vader "de offerande van zijn eigen gaven" opdat ze ten goede mogen komen aan allen, als heil, zegen en welzijn (KKK 1083).

Een bron van zegen zal je zijn” (Gen. 12,2). Een woord dat de Heer tot elk mensenkind richt. We zijn er om zegen te zijn. Mensen zijn een zegen, wanneer zij in hun relaties met anderen en in de situaties, waar zij komen, aan Gods goedheid gestalte geven. Elke welwillende, goedgezinde aandacht is reeds een zegen. Dit is goed weergegeven in de dankwoorden van een bejaarde: “Gezegend zijn zij, die het mij niet kwalijk nemen dat mijn gang onzeker is en mijn hand wat slap.”

Zegenen en gezegend worden is niet leeftijdsgebonden. In elke levensfase zijn we op anderen aangewezen en zijn we “elkanders hart en hand op weg naar het beloofde land.” Aan elke mens kunnen we door Gods zegen een veelheid van goeds toewensen en proberen het tot stand te brengen. Luc, psychiatrisch verpleegkundige, getuigt dat hij nooit zal vergeten dat zijn ouders hem, zijn broers en zussen in hun kinderjaren elke avond hebben getekend met de woorden: “God zegene en beware u”. Mensen die elkaar gaarne zien, die elkaar steunen, die bijdragen om het maatschappelijk leven te verbeteren, ze zijn een zegen. Zegenend verliet Jezus zijn leerlingen (Lc. 24,50). Wie gezegend is, straalt.