1e zondag in de veertigdagentijd A

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
De eerste lezing speelt zich af in het paradijs. De tweede heeft de woestijn als decor. De omgeving waarin een bijbelverhaal speelt, vertelt veel over de bedoeling van het verhaal.

De paradijselijke tuin van de eerste lezing wil zeggen: zo zijn mensen van Godswege bedoeld. Wij mensen zijn geschapen voor het geluk. Maar mensen konden en kunnen maar niet aan de verleiding weerstaan: ze kregen en krijgen van God alle moge¬lijkheden en er is slechts één beperking: Je moet geen God willen zijn, van die ene boom magie niet eten!

Maar de slang - het kwaad dat in iedere mens kruipt - zegt hun om wél te eten want dan ben je als God. En we kennen de afloop van toen en we zien het dagelijks nog gebeuren. Als mensen boven hun macht grijpen, als ze gaan denken God te zijn, altijd meer willen en nooit meer tevreden zijn, dan wordt hun paradijs een woestijn. En woestijn betekent in de Bijbel: chaos, eenzaamheid en leegte, ellende, honger en dorst.

Maar woestijn betekent ook een plek waar je jezelf tegenkomt; een plek om overtollige ballast kwijt te raken; een plek waar je keuzen moet maken.

Jezus wordt voor de keus gesteld van stenen brood maken, van de tempel afspringen en heel blijven, knielen voor satan om macht te krijgen of trouw te blijven aan zijn eigenlijke levenstaak en roeping. Gewoon met de mensen meeleven, uit zijn op hun geluk en niet uit op eigen succes of applaus.

De bekoring van het paradijs en de woestijn is dezelfde, name¬lijk groter willen zijn, willen doen dan je bent, uit zijn op geld, macht en aanzien.

Adam maakte de verkeerde keuze. De nieuwe Adam, Jezus, le¬vert een gevecht met de verleider en maakt de goede keuze.

Dat verhaal over Jezus in de woestijn is oud, maar tevens actu¬eel. Want ‘wat verdien ik ermee' is dikwijls de eerste vraag die opkomt. Verenigingsmensen klagen dat er nog maar weinig voor niks wordt gedaan. Geld is nog steeds een aanlokkelijke verleiding, maar wie overal geld in ziet, van stenen brood wil maken, maakt van het leven gewoonlijk geen paradijs, maar een woestijn. Dat doen ook degenen die wel werken als ze maar gezien en geëerd worden, geacht en onderscheiden. Ze doen het om het applaus. Ook zij ontginnen de woestijn niet tot tuin. Evenmin doen dat degenen die alleen maar gehoorzaamd willen worden en nooit zelf luisteren.

Vroeger heette de veertigdagentijd: vastentijd. Het was een periode van versterving. Je moest leren je het een en ander te ont¬zeggen. Het woord is wat versleten en vasten is in onbruik geraakt. Maar wat moet blijven is: niet knielen voor het geld, weigeren mee te doen aan halen-hebben-en-houwen... een mens leeft niet van brood alleen. Versterven is ook: afzien van macht, geen mensen kleinhouden. Versterven is: knielen voor God en Hem aanbidden, dienen in gehavende mensen.

Zo maken we de woestijn van nu zoetjesaan tot de tuin van toen.