Het geheim van de lege handen

Beste vrienden,

Enkele jaren geleden lazen we in de leesgroep het boek: „Johannes Paulus II – Het geheim van Karol Wojtyla“. Het werd geschreven door de Duitse journalist Andreas English, die in 1995 werd opgenomen in de zeer beperkte pool van bij het Vatikaan geaccrediteerde journalisten, die de Paus op al zijn reizen begeleiden. Die man heeft het dus niet van horen zeggen en hij steekt ook niet onder stoelen of banken dat hij aanvankelijk alleen maar in de Paus geïnteresseerd was omdat het nu eenmaal zijn job was, niet meer en niet minder.  Het boek is zeker geen literair hoogstandje maar het heeft onbetwistbaar toch enkele hoogtepunten. Van één van die hoogtepunten wil ik jullie vandaag ook laten genieten:   
In 1991 ging de Paus op reis naar India. Eén van de daar voorziene punten op het programma was een bezoek aan het grafmonument van Mahatma Gandhi, waar Hij zijn schoenen moest uittrekken vooraleer de plaats te betreden. Door het verlangen van de media naar spectaculaire beelden dreigde het bezoek van de Paus aan deze plaats te worden gereduceerd tot het moment dat hij daar blootsvoets liep. Andreas English schrijft, ik citeer: “Ik herinner me dat ik min of meer verveeld tegen een witte muur van het monument aanleunde toen ik werd aangesproken door een oude Indische vrouw: “het moet voor u als Christen toch een indrukwekkend moment zijn dat de Paus naar hier komt?” Ik dacht: “arme vrouw, je snapt er niets van. Voor al deze mensen van de media is het volkomen om het even wat de Paus hier komt doen. Hij zou al die cameramannen maar één plezier kunnen doen: struikelen en vallen. Dat beeld zou een bestseller zijn en onmiddellijk over de ganse wereld verspreid worden.”   „Ja, het is goed dat de Paus hier is”, antwoordde ik loom. “Jullie bewonderen Hem zoals jullie Gandhi hebben bewonderd, is het niet?” zegde ik vrijblijvend. Ze keek me aan en zegde: “Ik heb Gandhi nog gekend, weet u? Ik heb hem met zijn spindel gezien terwijl hij een draad spon om zijn kleren te weven.” “Ah, werkelijk?” antwoordde ik, “ja, de Indiase regering heeft me gevraagd om hier vandaag te zijn. Als getuige, begrijpt u?” “Interessant” zegde ik. Na een langere pauze zei ze: “weet u, Gandhi bezat niets. Hij had twee lege handen en zijn hindoe geloof. Maar het grote Britse Empire, met al zijn kanonneerboten en zijn legers kon tegen die lege handen niet op. Ze konden niet op tegen een kleine gelovige hindoe. Voor mij was het een openbaring toen ik van deze Paus hoorde. Ook Hij bezit niets behalve zijn Bijbel. Ook Hij heeft geen legers. Hij heeft ook maar twee lege handen, net als Gandhi, en de Russen konden tegen Hem ook niet op. Is de grootheid van het Goddelijke niet ongelooflijk?”  Ik was totaal verbouwereerd: “Maar Gandhi was een Hindoe”, zei ik. Ze lachte. “Ik ben ook Hindoe”, en weet U sinds wanneer ik weet dat wij, Hindoes en Christenen, Moslems en Joden, allemaal zussen en broers van elkaar zijn? Ik weet dat sinds ik de Bergrede van Jezus van Nazareth gelezen heb. Die kent u toch zeker: “Zalig de vredestichters enz…”.   “Ja, dat ken ik. Maar waarom hebt u de Bergrede gelezen?” “Weet u dan niet dat Mahatma Gandhi gezegd heeft dat de Bergrede van Jezus van Nazareth  de basis is van elke ethica?” Elk oordeel over goed en kwaad baseert op de woorden van die zoon van de timmerman uit Nazareth, waar dat dan ook in Israël mag liggen.”  “Neen, dat wist ik echt niet”, zegde ik. De vrouw glimlachte me toe en ik schaamde mij.   

Dit stukje uit het boek heeft op mij de meeste indruk gemaakt en, ik moet eerlijk bekennen dat ik het ook niet wist. Wat me echter wel duidelijk is geworden is, dat ik nog nooit een betere, kortere en nauwkeuriger samenvatting van de Bergrede heb gelezen. Deze Hindoevrouw heeft de nagel op de kop getroffen: Wie gelooft aan de macht van de lege handen, die ervaart de onvoorstelbare grootheid van het Goddelijke, die ervaart de oneindige liefde en trouw van God zelf.   

Wanneer wij, in deze voorbereidingstijd naar Pasen toe, veel over omkeer praten, dan moet het er in de eerste plaats om gaan dat we onze relatie met God onder ogen nemen.  Daarnet hebben we in het evangelie gehoord over de bekoring van Jezus in de woestijn. Juist daarvoor staat het verslag over Jezus’ doop in de Jordaan met de opmerkelijke slotzin: “Deze is mijn welbeminde zoon, waarin ik welbehagen vind”. Na het verhaal over Jezus’ bekoring volgt dan de Bergrede, waarvan we de zaligsprekingen allemaal het beste kennen. Wat door de indeling in verschillende stukken voor de zondagse evangelielezingen uit elkaar is getrokken, hoort in werkelijkheid bij elkaar en kan uiteindelijk ook maar in zijn geheel goed worden begrepen.   
Het eerste en belangrijkste inzicht is: Jezus, en samen met Hem ook wij allemaal, zijn Gods beminde kinderen. God vindt welbehagen in ons, daar gaat niets aan voorbij. Maar er bestaan dikwijls wel grote misverstanden over wat daaruit volgt. De scènes van de bekoring uit het evangelie van vandaag wijzen ons daar duidelijk op.  Uit de suggestie: “Als gij de zoon van God zijt, beveel dan die stenen in brood te veranderen” wordt voor mij duidelijk dat wie in God gelooft, nog lange niet over bovennatuurlijke krachten kan beschikken en dat ook niet mag verwachten.   Het geloof aan God is ook geen transcendente verzekeringspolis waarmee we de tweede suggestie: “Als Gij Gods zoon zijt, stort u dan naar beneden, er kan u toch niets gebeuren, ge zijt in Gods hand” zonder meer zouden kunnen uitvoeren.  Wie dat denkt heeft Gods liefde voor ons helemaal niet begrepen. En de derde bekoring maakt het misverstand helemaal duidelijk: Wie denkt dat hij door in God te geloven “alle rijken der aarde met gans hun pracht”, dus - een goed en beveiligd leven in rijkdom en welstand – mag verwachten, die is helemaal verkeerd bezig. Die heeft niet God aan zijn zijde, maar die heeft eerder een pact met de duivel gesloten.

Eén van de grote Mystici uit de middeleeuwen, meester Eckhart,  heeft het zo uitgedrukt: “Sommige mensen willen God aanschouwen met de ogen waarmee ze een koe bekijken en ze willen God beminnen zoals ze een koe beminnen. Maar de koe bemint ge omwille van melk en kaas, dus omwille van uw eigen nut. Zo is het ook met alle mensen, die God omwille van uiterlijke rijkdom of innerlijke troost beminnen. Zij beminnen niet God, maar alleen hun eigen nut.”
Om te begrijpen hoe we God echt moeten beminnen, om te weten tot welke relatie met God we ons zouden moeten bekeren, herinner ik aan de woorden van die Hindoevrouw: “Wie aan de macht van lege handen gelooft, die ervaart de ongelooflijke grootheid van het goddelijke, die ervaart de liefhebbende trouw van God.”  Als we de woorden van de Bergrede goed beluisteren, dan vinden we daar de bevestiging van: “ Gelukkig de nederigen van hart; gelukkig de treurenden; gelukkig de zachtmoedigen enz… Al diegenen die hier gelukkig worden geprezen hebben één ding gemeenzaam: lege handen.  Macht, bezit, geld of fantastische levensvoorwaarden zijn helemaal geen maatstaf voor een goede relatie met God. Het zijn niet diegenen die bezit, zekerheden en of macht nastreven, die gelukkig worden geprezen, maar wel diegenen die kunnen loslaten – loslaten tot zelfs de aanvaarding van lijden en dood. Dat begrijpen is alles behalve eenvoudig.

Wij weten dat zelfs Petrus daar zijn problemen mee had. Machteloosheid, leed, niets meer in de handen hebben, dood dat past voor Petrus allemaal niet in de voorstelling dat Jezus door God geliefd is, dat Jezus Gods zoon is. Maar dat is nu juist de boodschap waar Jezus achter staat. Ook zonder macht, ook in het leed, ook met lege handen en in de diepste vertwijfeling kunt ge u op God verlaten en blijft ge zijn geliefde dochter of zijn geliefde zoon.

In deze vastentijd wens ik ons allen dat we God leren beminnen en niet ons eigen voordeel. En ik wens ons allemaal een groeiend begrip van het “geheim van de lege handen”, van het geloof van die Hindoevrouw en van de ongelooflijke grootheid van het Goddelijke.  Amen