Beproevingen

Het leven is soms een beproeving. Kijk naar de mensen in Japan, met een aardbeving en een tsunami. Kijk naar de vrijheidsstrijders in Libië, waar het heel anders loopt dan ze hadden gehoopt. Maar kijk ook dichterbij, doden en gewonden bij een brand in Oegstgeest. Als het kwaad goede mensen treft, ervaren we dat als een beproeving. Dan kunnen mensen zuchten: “Waarom laat God dat toe?” Of: “Hoe kan God dit willen?”

 

Vandaag zien we hoe Jezus beproefd wordt. Het Evangelie is meteen duidelijk. Het is niet God die Jezus beproeft. Het is niet God die Hem bekoort of verzoekt of test. Het is juist niet God. De bekoorder is degene die van God wegvoert, die van God afhoudt, die niet naar Gods Koninkrijk leidt. Het Evangelie geeft hem een naam: die bekoorder is de duivel. Dus als wij bekoord worden, als wij beproefd worden, moeten we niet denken dat God bezig is.

 

Maar klopt dat? Hoe zit dat dan met het begin van het Evangelie vandaag? “In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden.” Het is toch de heilige Geest die Jezus naar de woestijn brengt, om door de duivel beproefd te worden. Staat God er dan toch niet achter? Ja en nee. Jezus moet de confrontatie aangaan met de bekoorder en de bekoring. Dat moet, dat vraagt de Vader, dat wil de Geest, want Jezus komt om ons te verlossen. Dus moet Hij ook onze bekoringen meemaken, ondergaan, ervaren tot in het diepst van zijn vezels. Dat moet, want hoe kan Hij anders ons de weg aantonen om in deze beproevingen stand te houden?

 

Als we nu kijken naar deze beproevingen in de woestijn, dan valt het op dat het niet begint met dorst. Dat zou je toch als eerste verwachten. Nee, de dorst komt pas in Matteüs 25. De drie bekoringen van vandaag staan symbool voor heel veel. De honger staat voor heel het lichaam met alle behoeften van het lichaam. Na veertig dagen heeft Jezus werkelijk honger en de bekoring sluit daarop aan. Waarom zou Jezus niet een steen in brood veranderen? Mag Hij dat niet. Zijn de veertig dagen niet om? Wat is erop tegen?

 

Jezus maakt hier mee wat het volk Israël lang geleden meemaakte in de woestijn. Toen moest het volk leren op God te vertrouwen. “Waar halen we in de woestijn brood vandaan om al die mensen te voeden?” God voedde hen met manna. Wat is dat? Dat is brood uit de hemel! Jezus moet ook in de woestijn op zijn Vader vertrouwen. Juist nu, op dit moment dat heel zijn lichaam vraagt. Juist nu moet Hij niet zelf in zijn behoefte voorzien maar vertrouwen dat zijn hemelse Vader in alles voorziet. Dat is het wat de verleider probeert te ondermijnen. Doe het zelf, je kunt het. Stel je niet zo afhankelijk van God op. Waar heb je dan je talenten voor gekregen? Je doet er toch niets verkeerds mee? Red jezelf, kom voor jezelf op, niemand anders doet dat.

 

Jezus moet tot het uiterste volhouden in zijn vertrouwen op de Vader. Daarom is zijn antwoord: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat komt uit de mond van God.” Jezus leeft vanuit zijn Vader, vanuit Gods belofte en Gods voorzienigheid.

 

En dat is zo lastig voor ons. We zagen het in de eerste lezing. Wat gebeurt er als je het vertrouwen in God verliest? Dat overkwam de eerste mens. Toen was het de slang die het vertrouwen ondermijnd, maar het is een en dezelfde die slang, die verleider, die duivel, die satan, demon, de leugenaar vanaf het begin, geef hem maar een naam. En de slang slaagde erin. God weet dat jullie ogen open gaan en je aan God gelijk wordt. Met andere woorden: God is een leugenaar, je moet God niet vertrouwen, en zeker niet wachten op zijn belofte. Pak het nu maar zelf, dan weet je wat je hebt. En dat is wat de mens doet. Zelf pakken, toe-eigenen, nemen, in plaats van ontvangen, vertrouwen en wachten tot God het geeft.

 

Bij Jezus zien we hoe het anders gaat. Aan het einde, nadat alle bekoringen zijn overwonnen, lezen we: “Daarna liet de duivel hem met rust, en er kwamen engelen om hem te dienen.” God houdt zijn belofte, maar de vervulling komt pas als we door de beproeving heen zijn gegaan. Maar God weet toch hoe zwak wij zijn. Jezus zelf zegt het tegen Petrus in de Hof van Olijven: “De geest is gewillig, maar het vlees is zwak. Bid dat je niet op de beproeving inga.” En elke keer als we het Onze Vader bidden, zeggen we: “leid ons niet in bekoring” In de oude Protestantse vertaling is dat: “leid ons niet in verzoeking.” En de nieuwe vertaling luidt: “breng ons niet in beproeving.” Jezus leert ons om aan God te vragen dat Hij ons niet in die beproeving brengt, want wij zijn niet zo sterk als Jezus, die tegenstander is veel sterker en slimmer.

 

Dat is dan ook het eerste dat we dit weekend leren. Uit eigen kracht zullen wij de bekoringen niet kunnen weerstaan. Maar Hij heeft ze weerstaan, Hij heeft ze overwonnen. Dus met Hem samen, als Hij met ons meewerkt, meer nog als wij met hem meewerken, dan kunnen we overwinnen. En die overwinning begint ermee dat we niet zelf pakken, niet zelf toe-eigenen en nemen, maar vertrouwen dat God zorgt, ook als het lijkt dat onze verlangens nooit vervuld worden. Ook dan de dingen niet naar eigen hand zetten, niet manipuleren en forceren, maar net als Jezus met Gods Woord de beproeving overwinnen.

 

Of het dan gaat om de honger van ons lichaam, of dat je God voor het blok wil zetten en Hij moet bewijzen dat Hij het vertrouwen waard is, of dat je het koninkrijk wilt realiseren op je eigen manier; alle beproevingen komen een beetje op hetzelfde neer. We gaan door de woestijn heen om te leren vertrouwen op Gods belofte en Gods voorzienigheid. Pas als we door die test heen zijn gegaan, kunnen we komen tot verrijzenis. Amen.