Adam en Christus (2011)

Paulus bezorgde de Romeinen geen gemakkelijke lectuur.  Een aantal onder hen zullen zich in de haren geschart hebben bij het doorworstelen van de diepzinnige maar moeilijke hoofdstukken 5 tot 8.  Hij richt zich tot christenen, komende uit het Jodendom en het heidendom.  Met hen zitten we in eenzelfde schuitje.  We leven in een wereld waar er zonde is en dood en wij krijgen samen de boodschap over Jezus, die ons van de dood bevrijdt en verzoening brengt.

 

In het leesjaar A leest de liturgie vanaf de negende tot en met de vierentwintigste zondag uit de Romeinenbrief.  De passage over Adam en Christus horen we op de twaalfde zondag en krijgen we eveneens op de eerste zondag van de Vasten.  Op deze vastenzondag past die lezing goed tussen Genesisverhaal over Adam en Eva in de hof van Eden en tussen het evangelie van Jezus in de woestijn.  Adam komt tot ons als de man die ‘neen’ zei.  Hij staat tegenover Jezus die de beproevingen doorstond en ‘ja’ zei op Gods roep.

 

Paulus houdt in zijn manier van schrijven van tegenstellingen.  Hij plaatst de geest tegenover het vlees, het leven tegenover de dood, Christus tegenover Adam.

 

Voor ons is Adam veel ouder en verder weg dan voor Paulus.  Zij die in de Schrift over Adam spreken, hadden geen weet van de lange geschiedenis van de hominisatie, de menswording.  Darwin en evolutieleer waren hen onbekend.  Wanneer is de mens mens geworden?  Wanneer is hij rechtop gaan lopen?  Van wanneer heeft hij zelfbewustzijn en kan hij spreken?  Van wanneer lacht hij naar een andere menselijk wezen en voelt hij pijn?  Vanaf wanneer staat hij in bewondering en dankbaarheid voor God zijn schepper en van wanneer was hij in staat met zijn Schepper te strijden en hem zelfs te vergeten?

 

Wij zijn als mens verbonden met de ganse geschiedenis.  We leven in een wereld waar kwaad bestaat en we beseffen dat het kwaad in ons een bondgenoot heeft.  Het lijkt erop dat dit kwaad steeds toeneemt en dat we meer en meer verstrengeld zijn in structuren die overheersen.  Maar er gaat klaarte uit van mensen die het goede doen en de mens optillen.  Christenen danken hierom Jezus.  Hij is voor hen het leven.

 

Wij botsen op de spanning tussen leven en dood.  Alles wat leeft is sterfelijk en eindigt eenmaal.  De dood hoort bij het leven, maar de weg erheen en de wijze waarop weegt zwaar.  Pas geboren, zijn we oud genoeg om te sterven.  Alles in ons roept naar leven.  De christen gelooft in God.  Zijn beloften zijn gericht op het leven. 

Met Paulus ondervinden wij de macht van de dood.  Hij verbindt deze met Adam, vooral wegens diens ‘neen’ tegenover God.  “De mens is wezenlijk zondig.  Zonde betekent in de Bijbel: het verbreken van het verbond.  De zonde van de mens is dat hij denkt God niet nodig te hebben.  Het is de ‘begeerte’ zelf te bepalen wat goed is (d.w.z. wat het leven bevordert en beveiligt) en wat slecht is (d.w.z. wat het leven bedreigt en doodt), de begeerte om zichzelf te ‘bevestigen’, om zelf beginsel te zijn van zijn eigen leven, de begeerte om genoeg aan zichzelf te hebben, om te redden zonder de anderen en zonder de Ander.  Kortom, de begeerte van de mens is om als God te zijn.  Dat wil zeggen: zelf zijn eigen leven en geluk kunnen garanderen, zonder daarvoor afhankelijk van een ander te zijn.  Zonde is willen leven buiten het verbond, buiten de verbondenheid met God, zonder de genade: ‘Ik moet niets krijgen, want ik heb genoeg aan mezelf.’  Dat is de zonde: het verbreken van dit verbond, van de Godsrelatie en de solidariteit met alle andere kinderen Gods, om zich op te sluiten in een gedeeltelijke (etnische, nationale, tribale, sektarische...) of gehele (individualistische) eenzaamheid.  Zonde is: het geluk willen ‘veroveren’ als een ‘buit’ - afkopen als een verdienste - in plaats van het te kunnen ontvangen als een geschenk.  Zonde is dus ook een vorm van ondankbaarheid (Rom. 1,21)” (H. Hoet, De Weg van Paulus, p.98).

 

Hoe zwaar de invloed van Adam en van onze zondigheid mag zijn, belangrijker is voor Paulus de rol van Christus voor elkeen van ons en voor de ganse mensheid.  In de vasten gaan we de weg van sterven naar verrijzen.  Dit is de zonde achterlaten om bij het licht te komen.  Van Paulus nemen we voor deze veertig dagentijd de overtuiging mee dat God door de éne mens Jezus aan alle mensen zijn genade overvloedig schenkt.  “Adam is de voorafbeelding van hem die komen zou” (Rom. 5,12).  Door de gehoorzaamheid van Jezus worden alle mensen rechtvaardigen.  Bij Paulus begint het Exultet van Pasen.  Hij dankt om de redding door Jezus gebracht na de zonde van Adam.  ‘Felix culpa’, gelukkige zonde wegens de redding die erop volgde.  Wij kunnen discussiëren of Jezus zou gekomen zijn mocht er geen zonde zijn geweest.  Wellicht wel, want hij komt om de mens meer leven te geven en hem intenser met God te verbinden.

 

Het kwaad heeft niet het laatste woord.  Hoe dieper de put der zonde, hoe langer de arm van Gods erbarmen (cf. Luther).  Corrie ten Boom (1892–1983) was de eerste gediplomeerde horlogemaakster van Nederland.  Zij bezorgde verzetstrijders en joden een schuilplaats in haar huis en kwam daardoor zelf in het concentratiekamp Ravensbrück.  Na haar bevrijding heeft ze zich ten volle ingezet voor de evangelisatie en aan velen verteld wat zij er samen met haar overleden zus Betsie had geleerd: “Er is geen put zo diep, of Gods liefde gaat nog dieper” en “God zal je de kracht geven om je vijanden te vergeven.”