TAALBARRIÈRE (2011)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

BANG

‘Allen waren bijeen op dezelfde plaats.’ Zo begint Lukas zijn pinksterverhaal. De leerlingen hadden zich in een zaaltje opgesloten. Zonder Jezus waren ze bang voor de mensen. Zoals iemand die haar man plotseling verloren heeft niet goed naar de supermarkt durft. Al die mensen die je tegenkomt, ze doen je pijn. Ze doen alsof het leven gewoon verder gaat, alsof de wereld niet is vergaan. Of ze vragen je kommervol hoe het nu met je gaat, en jij staat plotseling te huilen tussen de zakken soep en de kartonnen melk. Na een zwaar verlies ga je de ontmoeting met anderen uit de weg. De leerlingen hadden nòg een reden om zich op te sluiten. Jezus was vermoord. De overheden en een schreeuwende minderheid van het volk hadden hem omgebracht. Nu vreesden zij diezelfde woede. Schapen zonder herder waren ze, bijeen gekropen, angstig biddend. De toekomst was hun ontvallen.


DREMPEL

De leerlingen voelen zich als schapen die door wolven in het nauw gedreven zijn. Ze zijn door mensen omringd. Allemaal verschillende mensen. Hij lijkt of de hele wereld in Jeruzalem is samengedromd. Overheersers en onderworpenen, mensen uit buurlanden en van verre eilanden. Lukas geeft er een opsomming van. Ze vormen een voorproef van de hele aarde tot aan de grenzen, waarheen ze straks worden uitgezonden.
Het is een immense stap voor de leerlingen. Ze moeten uit de veilige beslotenheid van hun eigen synagoge treden. Ze moeten die ontzaggelijk grote wereld in met al die mensen. Die dragen allemaal hun eigen kleren, ze hebben hun eigen uiterlijk, feesten, cultuur, goden, munten en voedsel. Ze staan op het punt om hun angst voor vreemdelingen te overwinnen en een vijandige wereld binnen te trekken.


TAAL

Er is een grote barrière te overwinnen. Vreemden schrikken af. Ze spreken een andere taal. Ook hun lichaamstaal is anders. Je verstaat soms boodschappen die ze niet uit seinen. Wat willen ze van je? Zijn hun bedoelingen eerlijk? Willen ze van je profiteren? Is hun gastvrijheid te vertrouwen? Zijn ze minder ontwikkeld dan jij? Zijn het geen halve wilden, heidenen zonder notie van God. In onze genen is een wantrouwen verankerd jegens Parten, Meden en Elamieten; Egyptenaren en Romeinen.
De taal is een belangrijk signaal. Als geen ander uiterlijk teken verraadt zij of je bij de clan hoort, of je je veilig voelt. Jaren geleden had ik een groot computerprobleem. Ik belde een helpdesk en kwam in een wachtrij te staan. Na ruim tien minuten ongeduldig een dreinerig muziekje te hebben aanhoord, kwam er eindelijk een deskundige. Hij noteerde mijn naam en adres. Toen hij hoorde dat ik in Voerendaal woonde vroeg hij: ‘Dan kinne v’r ouch waal Limburgs kalle!’ Ik herinner me het thuisgevoel dat ik kreeg.  We waren ‘onder ons’. Ik hoefde me niet slimmer voor te doen dan ik was. Deze vriendelijke ‘Limburgse jong’ zou me wel helpen. Ik moet u zeggen dat ik tegelijkertijd dacht: ‘zou hij wel verstand van computers hebben?’ Maar dat zegt iets over het zelfbeeld van Limburgers! Als twee mensen in een winkel keihard een taal spreken die je niet verstaat dan word je wantrouwig. Vooral als ze hardop lachen. En keek er eentje niet in jouw richting? Toen ik ooit Ruud Gullit voor het eerst met zijn Amsterdams accent hoorde praten, zag ik zijn huidskleur niet eens meer! En dat gold voor Arnold Vanderlyde evenzeer. Een onbekende taal schept vijandschap en achterdocht. Die barrière hebben de leerlingen in Jeruzalem overwonnen.


VERSTAAN

Met Pinksteren hebben de volkeren een taal gehoord die eenheid schept. Lukas doet daar geheimzinnig over. ‘Ze begonnen te spreken in vreemde talen’, staat er. Even verderop: ‘dat de mensen hen hoorden in hun eigen taal’. Waar stak het wonder nu in? In het spreken , of in het luisteren? Maar er staat nog een ander zinnetje. De onderlinge verschillen werden overwonnen in de erkenning van Gods grote daden. Uit alle mensen spreekt Gods scheppingskracht. Alle mensen hebben genegenheid in de handen en barmhartigheid in de ogen. Alle mensen zijn uit liefde voortgekomen en tot liefde geroepen. Alle mensen spreken van God. Of beter: God spreek uit alle mensen. God spreekt met een harde en met een zachte ‘g’, met of zonder hoofddoekje. Hij spreekt Arabisch en Amerikaans. Dat is het Pinksterwonder. God spreekt in een Jood en een Egyptenaar; in een Frygiër, een Duitser en Palestijn; in een fatsoenlijke burger en in een verdwaalde politicus.

KLEURENLIEFHEBBER

Lieve kinderen. Er was geen enkele aanleiding voor, maar midden onder de zondagse wandeling vroeg Bolle: ‘Waarom zijn Chinezen geel?’ Mamma wist het niet. Ze zei maar wat. ‘Dat komt door de zon.’ Een stap of vijf verder zei Bolle: ‘En de Afrikanen dan? Waarom zijn die zwart?’ Nu moest mamma wat anders zeggen. ‘Dat komt door de lange nachten.’ Bolle voelde dat er iets niet klopte. Waarom zijn wij dan wit?’ ‘Wij zijn niet wit’, riep Wietke, ‘wij zijn rose!’ ‘Meisjes zijn roze!’, riep Bolle geïrriteerd. ‘O ja, dan ben jij zeker blauw!’, schaterde Wietke het uit. Toen was het stil. Bolle dacht na. Honderd passen verder wist hij het. ‘Ik denk dat God van kleuren houd!’