Hoop is een stuk verrijzenis

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Als wij goed naar dit paasevangelie geluisterd hebben merken wij iets van de verwarring van de eerste paasmor­gen. Maria Magdalena gaat vroeg in de morgen naar het graf om een lieve dode te bewenen. Tot haar grote ont­steltenis vindt zij het graf leeg. Zij meent dat men het lichaam gestolen heeft. Zij loopt naar de apostelen die alles vinden zoals Maria Magdalena het hun verteld heeft. In dit paasverhaal blijkt duidelijk dat de leerlingen geen lichtgelovige dromers waren. Zij hebben het paasgeloof zeker niet uitgevonden. Ook zij zijn langs twijfels en vragen tot het paasgeloof gekomen.

Bij deze leerlingen vinden wij ons eigenlijk in goed gezel­schap, hun vragen zijn ook onze vragen. Is de Heer echt verrezen? Mogen wij werkelijk hopen op een leven verder dan de dood? Of moeten wij ons bij de harde werkelijk­heid neerleggen: dood is dood? Onlangs las ik: "Laat je niet om de tuin leiden... je sterft als een dier en daarna komt er niets."

Vandaag mogen wij ons heel rustig afvragen: "Hoe ko­men wij tot het paasgeloof?' Het antwoord in dit evange­lie is duidelijk: hij zag en hij geloofde. Dat is een opmerke­lijk woord. Brengt het zien dan tot geloven? Is het niet juist andersom: omdat wij niets zien, daarom kunnen wij zo moeilijk geloven? Wat wij zien is dat de doden niet op­staan, dat honderdduizenden sterven van honger en dat niemand hen helpt. Als wij de ongerechtigheid zien in deze wereld zouden wij dan niet tot de conclusie moeten komen: God is dood? Hoe kun je als je al dat leed ziet tot een verrijzenisgeloof komen?

"Hij zag en hij geloofde'. Wat is het dan voor een ‘zien' dat tot geloven voert? Wij spreken hier van iets zien met de ogen van het geloof. Waar liefde is, daar ziet men din­gen die men met het oog niet kan zien. De liefde kan er zich niet bij neerleggen dat alles zinloos zou zijn, dat de dood het einde zal zijn. De liefde blijft hopen.

Jezus zelf moet zijn leerlingen de ogen openen voor deze liefde. Alleen door het geloof, dat toch ook een vorm van liefde is, kunnen zij de diepte van de werkelijkheid zien. Zij zagen in dat God niet ver van hen weg, of hoog boven hen was. In Jezus hadden zij God nabij ervaren als een God met ons, als een God van leven, overal aanwezig. In Jezus had God getoond dat Hij wil dat de mens gelukkig is, dat hij tot leven komen kan. God wil niet de dood van de mens, maar dat hij leeft.

Zo heeft God Jezus ook niet in de dood gelaten. Het heil van God, dat openbaar was geworden in het leven en sterven van Jezus, kan niet door mensen stopgezet wor­den. Dit heil gaat verder omdat God aan Jezus in de verrijzenis de macht gegeven heeft om onvergankelijk leven te schenken aan alle mensen.

Zo mogen ook wij, samen met de apostelen, hopen dat niet het onrecht, niet het geweld en de zinloosheid het einde zullen zijn, maar dat liefde en eeuwig leven het laatste woord zullen hebben. Zo is de verrijzenis van Jezus het werkelijk fundament van ons geloof. Met de verrijzenis van Jezus staat of valt alles in ons leven. Daarom zei St. Paulus al: "Als Christus niet verrezen is, dan zijn wij de meest beklagenswaardige mensen, dan zijn wij allen overgeleverd aan de dood en het verderf."

"Maar," getuigt Paulus dan, "dat is niet zo. Christus is verrezen en deze verrijzenis is het fundament en het begin van een nieuwe en definitieve werkelijkheid." Daar­aan kan de hardheid van het leven, de smart en het lijden, ja zelfs de noodzaak van het sterven niets veranderen. De verrijzenis van Jezus bevat voor ons een boodschap van leven, waarmee wij kunnen leven en sterven...