Pasen A - 2011

‘Ik ben het levende water.’ ‘Ik ben het licht van de wereld.’ ‘Ik ben de verrijzenis en het leven.’

Zusters en broeders, die woorden hoorden we de voorbije weken. Het zijn de woorden van een zelfbewuste profeet die, zoals Petrus in de eerst lezing zegt, ‘door God gezalfd is met heilige Geest en met kracht.’ Een profeet die dus terecht zulke woorden mag zeggen, want Hij en de Vader zijn één. Wie Hem ziet, ziet de Vader, en wie Hem hoort, hoort de Vader. Zijn woorden zijn woorden van eeuwig leven.

Die woorden moeten we zien in te passen in ons dagelijks bestaan en in de werkelijkheid om ons heen. En daarin zien we dikwijls weinig vreugde, maar wel veel pijn. We zien hoe mensen elkaar naar het leven staan in oorlog en burgeroorlog. We zien hoe dictators met tanks en kanonnen hun eigen volk vernietigen. We zien dat de aarde beeft met de regelmaat van een klok, met dikwijls honderdduizenden doden en gekwetsten tot gevolg. We zien dat er wereldwijd 150 miljoen kinderen op straat moeten overleven, overgeleverd aan zichzelf, aan honger, kommer en kwel, en aan een leven dat geen leven is. We zien hoe in de islam moord en zelfmoordterrorisme meer en meer als de hoogste vorm van heiligheid worden beschouwd, die in het hiernamaals meteen recht geeft op de hoogste vorm van alle denkbare genietingen, en dat zijn dan 72 maagden. We zien hoe onze eigen Kerk geteisterd wordt door het ene schandaal na het andere. En we zien ook dat ze er helemaal niet in slaagt om de boodschap van liefde, vrede en gerechtigheid van haar Stichter te belichamen.

Dat alles, en nog zoveel meer, zien in de werkelijkheid om ons heen. En in ons eigen leven worden we geconfronteerd met vreugde, maar ook met pijn; met genezing, maar ook met ziekte; met leven, maar ook met dood. De voorbije week werden in onze parochie twee mensen begraven wiens dood me erg raakte. De een was de vader van drie van mijn oud-leerlingen, de andere de moeder van twee van mijn oud-leerlingen, en tegelijk de vrouw van mijn vroegere collega en oud-directeur. Allebei werden ze plots uit het leven gerukt, zomaar, zonder enige aanwijzing van ziekte of nood. De hele week al speelt de vierde strofe van het lied Barmhartige Heer, genadige God door mijn geest: ‘Mensen, hun dagen zijn als het gras, zij bloeien als bloemen in het open veld. Dan waait de wind, en zij zijn verdwenen.’

‘Dan waait de wind en ze zijn verdwenen.’ Tegenover die woorden staat op deze verrijzeniszondag het lege graf. Het graf waarin eerst Petrus binnengaat, en na hem ook die andere leerling. En die andere leerling ‘zag en geloofde.’

Mocht dit ook ons deel zijn: dat we zouden zien en geloven. Geloven dat Jezus het levende water is dat elke dorst lest. Dat Hij het licht is dat nooit uitdooft. Dat Hij de verrijzenis en het leven is, en dat Hij ons over de schamele broosheid van onze vergankelijkheid heen naar eeuwig leven tilt. Geloven, en leven naar zijn woorden van liefde, vrede en gerechtigheid. Mocht dit ook het deel van onze Kerk zijn, zodat ze de Kerk zou zijn die ze behoort te zijn, en dat is de Kerk van Jezus, en niets anders. Mochten we met zijn allen in staat zijn te leven naar en in de woorden van Jezus, dan zouden we vol vreugde de vijfde strofe van het lied Barmhartige Heer, genadige God kunnen zingen: ‘Maar duren zal de liefde van God voor allen die zijn verbond bewaren, zijn woord behartigen en het volbrengen.’

Zusters en broeders, vandaag geeft God ons in de verrijzenis van zijn Zoon het teken bij uitstek van die eeuwigdurende liefde. Laat Pasen dus voor ons, voor onze Kerk en voor de hele wereld een echte verrijzenis zijn, een wedergeboorte in eeuwig leven, in, door en met de verrezen Heer Jezus. Ik wens ons allen een diepgelovig en bevrijdend Pasen toe. Amen.