Bidden en samen

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 306 niet laden

deze homilie werd per ongeluk als bestand ingezonden en de naam van de auteur is verloren gegaan... bent u de auteur? Gelieve ons te contacteren om dit aan te passen...

Enkele opmerkingen over de lezingen van vandaag.

In één van de boeken die ik er op na sloeg staat aan het begin van deze zondag: 'pittige teksten die tot de moeilijkste gedeelten behoren van de driejaren cyclus van lezingen.'
De boeken van Jan Nieuwenhuis over het Johannes evangelie spreken van de mooiste teksten uit de driejaren cyclus.
Ik wil proberen iets over die lezingen te zeggen.

De eerste lezing uit de Handelingen van de Apostelen is een vervolg op het Hemelvaart verhaal van afgelopen donderdag.
De trouwste leerlingen van Jezus blijven bijeen. Ze vormen nog steeds een hechte groep, de twaalf apostelen en de vrouwen die in de buurt van Jezus verbleven en natuurlijk zijn moeder Maria die haar zoon door dik en dun trouw bleef. Ook na zijn dood en na alles wat over Hem werd verteld en ervaren. Ze blijven volharden in gebed, staat er.
Het is een helder verhaal uit de eerste tijd na de kruisdood van hun Jezus, nog vers in de herinnering en in afwachting van wat de toekomst brengen zal. Het verhaal is nog niet toe aan de Geest die met Pinksteren over hen komt.

De tweede lezing komt uit de 1e brief van de apostel Petrus. Het is een tekst van die dertig jaar later is ontstaan als die van de 1e lezing. Er is dan al veel gebeurd, de tegenstellingen worden groter, de eerste vervolgingen van christenen zijn een feit. Deze lezing getuigt daarvan en Petrus houdt zijn mensen voor dat ze moeten volharden in het geloof en dat ze de ontberingen met vreugde moeten ondergaan.

En dan de Evangelielezing.
We lazen de eerste elf verzen van het 17e hoofdstuk.
Een gebed over geloven, over eenheid en over de liefde voor elkaar.
Bij welke gelegenheid bidt Jezus deze woorden en waar gaat het over?
Het 13e hoofdstuk van het Johannes evangelie verhaalt ons over de maaltijd voorafgaand aan het paasfeest en over de voetwassing door Jezus en het verzet van Petrus daartegen.
Het is het verhaal dat wij lezen en gedenken op Witte Donderdag.
De 3 hoofdstukken die volgen zijn een verslag van de grote rede van Jezus met raadgevingen en verwachtingen over wat de toekomst zal brengen voor de volgelingen van Hem.
We moeten daarbij goed bedenken dat het Johannes evangelie tussen 100 en 150 jaar na Christus tot stand gekomen is. Het is niet alleen het verhaal waaraan als auteur de naam van Johannes is verbonden. Het is het verhaal van wat er in de laatste dagen van het leven van Jezus allemaal is gebeurd, maar ook het verhaal van een gemeente rondom Johannes die 70 tot 80 jaren samen verder leefden in het spoor van Jezus.
Het is geen geschiedenisverhaal over de laatste dagen van het leven van Jezus. Het is een geloofsverhaal over wat zich in een eeuw allemaal heeft afgespeeld.
Er zijn meningsverschillen ontstaan tussen de apostelen en ook tussen hun volgelingen. De groep is niet in zijn geheel bijeen gebleven.
Er zijn mensen die hebben afgehaakt.
Er zijn mensen die terug gingen naar hun vertrouwde plek in de synagoge.
We kennen het maar al te goed uit onze eigen tijd. Ook onze parochies kennen een heel wisselende samenstelling van mensen die het lang niet in alles met elkaar en met het centrale gezag eens zijn.
Toch gaan we zo mogelijk samen door en we vertellen ons verhaal zoals wij denken dat het is.
Zo ook de groep rond Johannes.
Zij formuleren de grote rede en het gebed van Jezus aan het eind van zijn leven met hun woorden, gekleurd door hun leven. 5 Hoofdstukken uit dit evangelie hebben ze er aangewijd.
Het hele 17e hoofdstuk is een afscheidsgebed. Zo'n afscheidsgebed staat daar niet zomaar, ook hier hebben we weer niet te doen met geschiedenis niet met feiten en jaartallen, ook dit is geloofstaal.
Zo'n afscheidsgebed hoort aan het eind van het leven van iemand die heel belangrijk is geweest. Dat is bijbelse traditie, toen al.

We zien dat bij Jakob in het eerste testament.
In Genesis, helemaal aan het einde van dat boek, (in hoofdstuk 49) staat een prachtig afscheidsgebed. Het eindigt met de woorden: 'Dat zijn al de stammen van Israël, twaalf in getal, met de zegen die hun vader over hen heeft uitgesproken: aan ieder van hen gaf hij een eigen zegen.'
Dan volgt alleen nog het verslag van dood en begrafenis van Jakob.

We zien het ook bij Mozes.
In het boek Deuteronomium (31,16 - 33,29) en ook hier weer aan het einde van dat boek.
Het begint met een inleiding op de zegen en het eindigt met een prachtig gebed dat uitmond op de zegen: 'Wie, Israël, is er gelukkig als gij, gij volk, bevrijd door de onzichtbare, die u zijn hulp heeft verleend en uw machtig zwaard heeft gezegend!
Dan volgt in dit boek alleen nog een verslag van de dood van Mozes.

Terug naar het Johannes evangelie, terug naar het grote afscheidsgebed. De gemeente van Johannes speelt er een grote rol in
'zij, dat is die gemeente van Johannes, die Gij mij hebt gegeven' is daaruit een tekst die twaalf maal voorkomt.
Het gaat heel duidelijk over Jezus en over de gemeente rondom Johannes.
Het is een prachtig gebed, maar wel heel moeilijk en vrij lang.

Wat we niet zomaar vinden in het Johannes evangelie is een Onze Vader dat ons zo bekend is als gebed van de Heer zoals dat bij Matteus (6,9-13) te vinden is.
Volgens Pater Jan Nieuwenhuis is het er wel en kunnen we het hier vinden. Ik wil u dat gebed zoals Pater Jan Nieuwenhuis dat aangeeft tot slot laten horen.
Hij geeft een aantal verzen aan als het gebed van de Heer zoals Jezus dat ons heeft willen bijbrengen:

1. Zo sprak Jezus.
En zijn ogen ten hemel heffend, zei hij:
'Vader, het uur is gekomen.
Verheerlijk Uw zoon,
opdat de zoon U verheerlijke.
5.En nu verheerlijk mij, - Gij, Vader, bij Uzelf -
met de heerlijkheid die ik bij U had
voordat de wereld bestond.
11.En ik ben niet langer in de wereld,
maar zij zijn in de wereld,
en ik kom naar U toe.
Heilige Vader,
bewaar in Uw Naam
hen die Gij mij gegeven hebt,
opdat zij één mogen zijn, zoals wij.
21. opdat zij allen één zijn,
zoals Gij, Vader, in mij
en ik in U;
opdat zij ook in ons één zijn,
opdat de wereld gelove
dat Gij mij gezonden hebt.
24.Vader, ik wil
dat zij die Gij mij gegeven hebt,
ook mogen zijn waar ik ben,
opdat zij mijn heerlijkheid zien,
die Gij mij gegeven hebt
omdat Gij mij hebt liefgehad
vóór de grondlegging van de wereld.
25.Gerechte Vader,
de wereld kent U niet,
maar ik ken U,
en dezen hier weten
dat Gij mij gezonden hebt.
Amen.