7e zondag in de paastijd A

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Een grote familie is een sterke burcht. De invloed ervan is in een hele streek, soms in een heel land voelbaar. Ieder kind dat in haar schoot geboren wordt krijgt er de trekken van mee, wordt geliefd, opgevoed, onderricht, gevormd en geoefend, volgens de geest van de ouders en van nog andere en verdwenen generaties, tot het bekwaam is om de invloed, de macht en de rijkdom van de familie te vergroten.

Ieder huwelijk breidt de macht uit, versterkt de banden van het bloed, herschept een deel van de heerlijkheid, belooft nieuwe overwinningen.

Als iemand sterft wordt er trouw gezworen. De stervende bezweert de anderen. De macht van de dood mag niet overwinnen: de familie moet verder leven onder het gezag, door het voorbeeld, in de liefde, van de levenskracht van de dode, die na zijn afscheid allen verder bestuurt, van op afstand leidt en inspireert, vanaf de overkant beheerst en liefheeft. Het testament geeft alles uit handen, noodgedwongen, maar bepaalt juist daarom, wat ieders deel zal zijn, opdat ieder volgens zijn talent de heerlijkheid van de familie zou doen bloeien.

Jezus, die één is met de Vader, die de Naam van de Vader draagt, geeft in die Naam zijn testament aan de verzamelde apostelen, die met broeders en zusters zullen aangroeien tot de familie van de vele leerlingen, die niet meer alleen een streek of een land, maar alle landen, "tot aan de grenzen der aarde", onder hun invloed zullen brengen.

Jezus heeft macht en bezit. "Mij is alle macht gegeven, in de hemel, en op aarde" zegt Hij, en als bij testament verklaart Hij plechtig: "Gij hebt Hem macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Hem gegeven hebt". Hij spreekt over zichzelf als over de Zoon, de Eerstgeborene, en voegt er aan toe: "Al het mijne is van U en het uwe is van Mij". De Kerk heeft niet altijd begrepen over welke macht, over welk bezit Jezus sprak.

Nu Hij vóór zijn dood afscheid neemt, mag geen vergissing meer bestaan over het bezit dat Hij de zijnen toevertrouwt, over de macht die Hij hun doorgeeft. Hij moet uitdrukkelijk voor hen bidden, eerst om hun geloof in de familie te bevestigen, opdat ze elkaar zouden liefhebben, zoals Hij hen heeft liefgehad, opdat zij volmaakt één mogen blijven, zoals Hij en de Vader één zijn, en dan opdat ze zijn macht en zijn bezit niet verkeerd zouden verstaan.

Wat Jezus geeft is een anti-testament. Wat Hij als erfgoed van de Vader krijgt, wat Hij als bezit van zijn Vader beheert, de macht die Hij voor zijn Vader uitoefent, de Naam zelf en het leven dat Hij erft, de heerlijkheid van al wat Hij is en heeft, draagt Hij over op zijn broeders en zusters. Hij bezweert ze alles met anderen te delen, niets van de familie voor henzelf te houden. Hij die zijn leven voor hen heeft gegeven, geeft het nu ‘‘tot het uiterste toe" en beveelt hen voor anderen hetzelfde te doen. Hij tekent zijn testament met zijn eigen bloed.

Christen zijn is niet veroveren in Jezus' Naam. Het is niet de macht van de wereld die haat, met de macht van Jezus' liefde verwarren. Zijn "Rijk is niet van deze wereld". Zijn bezit heeft niets met geld te maken. Hij wil de mensen zelf bezitten, zoals man en vrouw elkaar bezitten en juist omdat ze elkaar hun leven geven, geen slaven zijn maar vrije mensen.

Christen zijn is opgenomen worden in Gods huis, in zijn geheimen, zijn plannen en zijn heerlijkheid. De macht, de heerlijkheid, het bezit waarover Jezus het in zijn testament heeft, is de gemeenschap van liefde en leven zelf, die in God is, Vader, Zoon, Geest van liefde, en die, als ze in ons is, in Hem haar oorsprong heeft.

Jezus maakt zijn dienaren tot vrienden en God maakt van Jezus' vrienden erfgenamen, zonen en dochters van den huize.