Van Pasen nar Pinksteren (2008)

Vandaag, op deze zondag, slaan we een brug tussen het feest van Hemelvaart, afgelopen donderdag en het feest van Pinksteren, komende zondag. In de eerste lezing hoorden we dat de apostelen van de Olijfberg weer naar Jeruzalem trokken, nadat Jezus ten hemel was opgestegen. Na de zelfmoord van Judas waren ze nog met z'n elven. Ze zijn teruggegaan naar de zaal van het laatste avondmaal, waar ze met Maria en de andere leerlingen -mannen en vrouwen dus- de komst van de heilige Geest afwachten.
Lucas zegt: `Ze doen dat volhardend in gebed'.
In zeven weken loopt er in onze liturgie, zou je kunnen zeggen, een rechte lijn van Pasen, via Hemelvaart naar Pinksteren. Lucas is de enige die alle drie deze feestdagen verhalend onderbouwt.

Eén verhaal bij Pasen over het lege graf, één verhaal dat vertelt dat Jezus na zijn dood bij God in de hemel is opgenomen en één verhaal dat ons leert dat de beloofde Geest aan de leerlingen en aan alle gelovigen geschonken wordt. Drie verhalen dus. En bij ieder van die verhalen vermeldt Lucas een getal. Bij Pasen is dat het getal één (op de eerste dag van de week), bij Hemelvaart het getal veertig (veertig dagen later), en bij Pinksteren het getal vijftig (`Toen vijftig dagen vervuld waren'). Als je die drie getallen vervangt door bijpasssende Hebreeuwse letters, vormen die samen het Hebreeuwse woord `amen'. Met die drie feestdagen vieren we dat God amen heeft gezegd, op alles wat Jezus voor ons in zijn leven heeft gedaan. Amen: `zo zij het.' `Zo zij het' zegt God goedkeurend over Jezus' leven en over alles wat Hij onder ons gedaan heeft. Amen op wat Hij ons geleerd heeft in zijn prediking, amen op wat Hij geleden heeft, amen op zijn trouw tot de dood. Tussen Pasen en Pinksteren leven we in de tijd van Gods grote amen.

Ook het evangelie voert ons terug naar de zaal van het laatste avondmaal. De herinnering aan de avond waarop Jezus in lange, intieme gesprekken afscheid nam van zijn leerlingen. Hij was er zich van bewust `dat Hij van God was uitgegaan en op het punt stond naar God terug te keren.' En Hij bad. We hebben zojuist een gedeelte van dat gebed gehoord. In dat gebed trekt het hele leven aan Hem voorbij. Hij overziet zijn levenswerk, en ondanks zijn jonge leeftijd kan Hij zeggen: `het is volbracht.'

Alles wat U, Vader Mij te doen hebt gegeven op deze wereld, heb ik uitgevoerd: Ik heb U verheerlijkt, Ik heb uw naam bekend gemaakt, Ik heb uw woorden aan de mensen doorgegeven. Mij staat nu niets anders te doen dan mijn trouw aan U te tonen tot het uiterste toe.
Ik denk dat wij naar dat bidden alleen maar heel eerbiedig kunnen luisteren, zonder veel uitleg, zonder veel gepraat eromheen, maar met een bereidwillig hart, dat iets van de liefde meevoelt die uit zijn woorden spreekt: liefde tot God, die Hij Vader noemt, én liefde tot de mensen, met wie Hij zich zo intens verbonden weet. Bij die verbondenheid met God en met de mensen wil ik met u even stilstaan.

De joodse literatuur kent een werk -de Zohar- dat als één van de beste mystieke boeken geldt; dus zeg maar het hartstochtelijk streven naar de bijzondere vereniging van de ziel met God en van God met de mens. Hoewel het pas in de vijftiende eeuw geschreven is, lijkt het of Jezus het in zijn tijd al gelezen heeft. Het kan ons, denk ik, een beetje helpen dit gecompliceerde evangeliedeel wat beter te begrijpen.
Ik wil een klein stukje eruit, met mijn eigen woorden, met u bespreken. Als ik het meest eigene van mijzelf wil benoemen, spreek ik mijzelf uit en zeg: `ik'. Met dat woordje `ik' druk ik het meest persoonlijke, het meest intieme van mijzelf uit. Het geeft weer dat ik verschil van anderen, dat ik uniek ben. Maar wonderlijk genoeg, dat doet ieder van u ook! Ieder van ons zegt: 'ik', gebruikt hetzelfde woord, met -denken we- een geheel andere inhoud. En nog wonderlijker, zegt de Zohar, dat doet God ook. Ook God zegt: `Ik ben de Heer, uw God, Ik heb jullie bevrijd uit de slavernij.' Met dat `Ik' drukt God zijn eigenheid, zijn wezen uit. Dat `Ik' van God is zo machtig, zo groot, dat de schrijver zegt: `Ik' is een eigennaam van God. De auteur van het boek vraagt zich af of er in het universum nog wel plaats is voor nog meer `ikken' dan dat grote `Ik' van God. Zouden al die kleinere `ikjes' geen vonken zijn van dat grote universele `IK'? Zouden wij allemaal -hoe verschillend wij ook denken te zijn- niet thuis zijn en geborgen zijn in dat ene grote goddelijke `IK'.
Paulus zegt: `In God leven we, bewegen we en zijn we.'
Wanneer je Jezus' gebed in dit licht herleest, begin je te vermoeden wat het betekent wanneer Jezus zegt: `De Vader en Ik zijn één.' Mijn `Ik', zegt Jezus in dit gebed, valt samen met Gods `IK.' Ik leef niet, maar God leeft in mij. In alles wat Jezus zegt, in alles wat Hij doet en gedaan heeft, in iedere vezel van zijn bestaan, weet Hij zich één met God, opgenomen en geborgen. Geen wonder dat God op `zijn' beurt `amen' zegt op alles wat Jezus, `zijn' geliefde Zoon, voor Hem doet.

Uit het gebed blijkt ook hoe intens Hij zich verbonden weet met ons, hoezeer ons lot en onze toekomst Hem ter harte gaan. Met hoeveel aandrang bidt Hij niet voor ons dat God ons mag bewaren en tot eenheid, tot eensgezindheid mag voeren? In zijn eenheid met God vindt Hij ook de eenheid met alle mensen. Allen, hoe verschillend ook, zijn wij broeders en zusters, allen zijn wij ook immers één in God. Echte mystiek; zoeken naar de band met God!

Het belangrijkste wat ons vandaag te doen staat bij onze voorbereiding op Pinksteren, is ons amen uit te spreken over het gebed van Jezus, van harte en dankbaar instemmend met wat Jezus biddend verwoordt. Maar die eenheid tussen God en mens brengt ook verplichtingen met zich mee voor de manier waarop we met elkaar omgaan: we zijn allen één, putten uit dezelfde bron. Ook voor ons eigen bidden is die eenheid tussen God en mens belangrijk. Om God te vinden hoef je niet buiten jezelf te treden. Iedereen die afdaalt in zijn eigen `ik', vindt daar niet alleen de medemens, maar ook de Schepper, ook God.
Zo heeft Jezus zich één geweten met God en met alle mensen. Zo is Jezus de weg geworden die ons naar God voert en naar elkaar. Vanuit die eenheid bidt en vraagt Hij om dezelfde eenheid voor ons en voor onze wereld.

We bevinden ons midden in een noveen. Negen dagen lang, tussen Hemelvaart en Pinksteren, sluit de kerk zich aan bij dit bidden van Jezus. In die bovenzaal van het laatste avondmaal wacht Maria samen met de leerlingen in gebed op het komen van de heilige Geest. Laten ook wij, hier vanochtend bijeen, bidden om Gods Geest, om zo meer en meer gelijkvormig te worden aan Jezus.

`Kom heilige Geest,
vervul de harten van uw gelovigen
en ontsteek in ons het vuur van uw liefde.
Zend uw Geest uit
en alles zal herschapen worden
en Gij zult het aanschijn van de aarde vernieuwen.'