7e zondag in de paastijd A - 2002

"Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Wie mij ziet, ziet de Vader. Ik ga heen om u een plaats te bereiden in het huis van mijn Vader, waar plaats is voor velen." Zusters en broeders, dit zijn woorden van hoop, en toch hebben de apostelen er vragen bij. Precies bij die vragen wou ik even blijven stilstaan.

Vooreerst bij de vraag van Filippus. "Toon ons de Vader", zegt hij. Uit het antwoord van Jezus klinkt iets als ongeloof: "Maar Filippus, Ik ben al zo lang bij u en toch kent gij mij niet. Hoe is dat nu mogelijk!"

Zusters en broeders, misschien vindt ge het eigenaardig, maar Filippus geeft me bijzonder veel moed. Ik bedenk immers het volgende: als Filippus na drie jaar directe omgang met de woorden en de werken van de levende Jezus, die Jezus nog altijd niet echt kent, dan hoeven wij niet te wanhopen, want dan hebben wij, en ook de kerkelijke hiërarchie, eveneens recht op onzekerheid. Zo dikwijls hoor ik zeggen: de paus, de bisschoppen en de pastoors weten niet meer wat ze willen. Vandaag zeggen ze zus, en morgen zeggen ze zo. Wat moeten we nog geloven? En wat hebben ze ons vroeger allemaal wijs gemaakt?

Zusters en broeders, ze hebben ons niets wijs gemaakt. Ze hebben gewoon in alle eerlijkheid Christus' woorden en werken verteld zoals die toen geïnterpreteerd en verklaard werden. Sommige dingen worden nu inderdaad anders uitgelegd dan vroeger, of zijn gewoon anders dan vroeger, maar is dat niet met alles zo? Leven en denken wij ook niet anders dan vijftig of dertig of tien jaar geleden? Hebben wij onszelf dan vroeger iets wijsgemaakt? Natuurlijk niet, maar de mens, en zijn denken en handelen evolueren, waarbij we best nederig zijn, en bedenken dat wat nu vaststaat óók niet eeuwig zal duren, dat het dus op zíjn beurt zal veranderen. Filippus' vraag naar de aard van de Vader zal dus wel altijd gesteld worden, en dat is maar goed ook. Immers, als de mens die vraag niet meer stelt, denkt hij dat hijzelf god is, en wat daarvan komt, kunnen we elke dag zien in de ellende die de ene mens met veel plezier aan de andere aandoet.

En dan is er de vraag van Thomas: "Heer, wij weten niet waar Gij heengaat. Hoe moeten wij de weg dan kennen?" Uit die vraag spreekt niet alleen twijfel; daar spreekt ook paniek uit, zo van: Maar Jezus, hoe moet dat als Gij weg zijt? Wij hebben schrik van een toekomst zonder u.

Zusters en broeders, Thomas' tweede naam luidt Dydimus. En dat betekent tweelingbroer. Welnu, ik geloof dat wij inderdaad allen Thomas' tweelingbroer of tweelingzus zijn. Want ook wij zijn bang van alles en iedereen. We durven niets meer: over ons geloof spreken, ervoor uitkomen dat we christen zijn, onze stem laten horen, onze door Christus geïnspireerde stem in politieke of sociale problemen: we durven het niet meer. We zijn bang om onze nek uit te steken, precies of we er beschaamd over zijn dat we volgelingen van Christus zijn. En tegelijk denken we met heimwee aan vroeger, toen de kerken vol zaten, en je bij manier van spreken op elke straathoek op een priester kon botsen. Nu daarentegen tellen we de lege plekken in de kerk, en we zuchten moedeloos: Wat moet er toch gebeuren?

Zusters en broeders, eigenlijk is het om te lachen, die angst. Tweeduizend jaar geleden liep er ergens in Palestina een man rond, één enkele man, die voor niets of niemand schrik had. Toen Hij goed dertig was, werd Hij aan het kruis genageld. Ook daar hing Hij alleen, verlaten, want van zijn, ocharme twaalf, leerlingen had er hem een verraden, en de andere waren als bange wezels weggevlucht. Eén man, heel alleen stervend aan een kruis. Opgeruimd staat netjes, dachten zijn tegenstanders, geen haan die ernaar kraait. Tot het vuur van die ene, schijnbaar mislukte man in die elf bangeriken oversloeg, en ze tijgers werden in plaats van wezels. "We kunnen niet zwijgen over Hem", zei Petrus onverschrokken toen hij voor hetzelfde Sanhedrin stond dat Jezus een paar weken voordien de dood had ingejaagd. "Wat jullie ook zeggen en doen, we zullen over Hem, over zijn woorden en zijn daden blijven spreken. Jullie hebben Hem als een slechte steen weggeworpen, maar Hij, en Hij alleen, is de hoeksteen van ons bestaan, want Hij, Hij is God, en over God zwijg je niet."

En vanuit dat onooglijk stukje land, en vanuit die elf nauwelijks geletterde vissers en boeren groeide er in tweeduizend jaar een geloofsgemeenschap die zich uitstrekt over heel de wereld, een gemeenschap die het geloof verkondigt, zieken verzorgt, melaatsen geneest, blinden doet zien en doven doet horen. Een gemeenschap die nu iets meer dan twee miljard mensen telt, wat neerkomt op een op drie van al Gods schepselen. En wat doen wij? Wij hebben schrik, en we zeggen: Wat gaat er toch gebeuren? Als 't niet zo triestig was zou ik er echt om lachen.

Zusters en broeders, laten we onze angst afleggen, en er ons elke minuut van bewust zijn dat we de volgelingen zijn van een man die voor niets of niemand schrik had, omdat Hij in God was , en God in Hem. En laten we er ons ook van bewust zijn dat niet wij, maar Hij het heft in handen heeft, dat het niet onze Kerk is, maar zijn Kerk, die Hij nooit in de steek zal laten, dat heeft Hij zelf beloofd. Luister op Ons Heer Hemelvaart maar eens goed naar de laatste woorden van het evangelie, en dan zult ge het volgende horen: "Ziet, Ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld." Wat zouden we, met zo'n belofte, nog angst dùrven hebben. Christus is immers met ons.

Zusters en broeders, volgende week begint de meimaand, de maand van de Moeder van God. Welnu, weet ge wat we ook eens zouden kunnen doen? We zouden ons in deze maand eens kunnen spiegelen aan haar, aan Maria. Niet aan de zoete maagd over wie we in onze romantische Marialiedjes zo graag zingen, maar aan de Vrouw die, net als haar Zoon, van niets of niemand schrik had. Want wie stond er ook weer onder het kruis toen al de anderen waren gaan lopen? Juist, ja, Maria. "Dit is mijn Zoon, " zei ze door haar aanwezigheid, "en jullie mogen Hem allemaal uitspuwen, maar ik blijf Hem trouw, en ik blijf in Hem geloven, ook nu, in dit zijn stervensuur." Laten we haar vragen dat ook zij ons sterkt met haar durf. Amen.