Evangelieprikje 2014

Boudewijn De Groot maakte zijn testament al op “na 22 jaren in dit leven”, bij Jezus gebeurde het op iets latere leeftijd en onder vrij dramatische omstandigheden, want Hij voelde Zijn einde naderen. Het is nu al enkele weken dat we uit dit testament, zoals de evangelist Johannes het opgetekend heeft, mogen lezen. In deze afscheidsrede herken ik een testament omdat er in deze rede, net als bij een testament, vooral aandacht is voor diegene die achter blijven.  Zo horen we vandaag dat Jezus in Zijn bede om verheerlijkt te worden uiteindelijk niet uit is op eigen roem, maar wel om eeuwig leven te kunnen schenken aan allen die zich aan Hem en aan God durven toevertrouwen.  Dat eeuwige leven is volgens Johannes dat ze God en Jezus echt mogen leren kennen. Dat kennen is meer dan verstandelijk kennen. Bij ons zeggen – vooral oudere - mensen soms wel eens van een koppeltje dat ze kennis hebben. Dat betekent gewoon dat ze een koppeltje zijn, misschien al verloofd. Ik denk dat het meer over dit soort kennen gaat in het evangelie.

Dat kennen van God begint bij het aanvaarden van Zijn Woord dat we terugvinden in de Bijbel. Dat is al niet gemakkelijk. We leven in een tijd waarin veel mensen hun eigen godsdienst samenstellen in het warenhuis van de godsdiensten: iets van het boeddhisme, wat van het  ietsisme , wat van de Islam, … Ook bij Bijbelteksten maken we heel vlug een selectie. Natuurlijk is de Bijbel geschreven door mensen en dus bepaald door tijd en cultuur, dat is als het ware de verpakking van dat grote Godsgeschenk. Maar wat is nog verpakking en wat behoort tot de kern van de zaak? Het is niet altijd eenvoudig om daar een onderscheid in te maken, we kunnen toch niet willen dat elke gelovige een bijbelgeleerde wordt. Dat is al niet wenselijk gewoon om principiële redenen: het evangelie is voor iedereen bestemd, maar ook en vooral voor eenvoudige mensen.  Daar is dus een ongelofelijke uitdaging voor allen die het evangelie verkondigen: priesters, diakens, catechisten, godsdienstleerkrachten, maar ook de gewone gelovige wordt er toe uitgedaagd.  Jezus vraagt dus eigenlijk dat God en mensen mekaar echt zouden leren kennen en dat kan maar als we de Blijde Boodschap op een goede manier doorgeven aan elkaar.

Belangrijk is te blijven onthouden dat in de relatie God-mens het  God is die de eerste stap gezet heeft. Die eerste stap wordt telkens ook weer zichtbaar en tastbaar in de woorden en daden van Jezus. Het is gewoon dat gelovigen bidden tot hun goden, vandaag horen we hoe Jezus voor ons bidt. Het lijkt wel de wereld op zijn kop. Ook het werkwoord toevertrouwen klinkt heel teder in de oren. Zoals ouders hun kinderen toevertrouwen aan een kleuterjuf of meester, zo vertrouwt God ons aan Jezus toe. Het toont dat God heel veel vertrouwen heeft in Jezus, maar ook dat God bekommerd is om ons. Daarmee raken we het hart van de Blijde Boodschap: onze God is een God die bekommerd is om ons, die kennis wil hebben met ons. De Bijbelse God is enkel te begrijpen vanuit een liefdesrelatie. En zo kan je begrijpen dat Jezus bidt voor Zijn volgelingen. Wie echt liefheeft, wil het beste voor de ander, ook en misschien wel zeker als je niet in de buurt van je geliefde bent. Voor echte geliefden geldt het spreekwoord “uit het oog, uit het hart” niet, zelfs als je niet bij elkaar in de buurt bent, blijf je aan elkaar denken, blijf je bezorgd voor elkaar. Wat Jezus hier doet is dus zeer menselijk, maar omdat Hij geen enkele verplichting heeft om het te doen, wordt het iets zeer goddelijks. Zijn wij om dit cadeau dankbaar? Beseffen we dat al we als christenen bidden het eigenlijk Jezus is die in ons wil bidden? Wordt ons hart nog geraakt door die onzichtbare God die zo bezorgd en bekommerd is om ons? Ik denk dat iedereen wel momenten in zijn leven heeft waarin die dankbaarheid ons overvalt als een genade. Het is een  genademoment dat je kan helpen om die liefde die God voor ons  voelt tastbaar te maken voor de mensen om ons heen opdat ook zij God leren kennen. Maar ieder van ons heeft ook wel eens momenten dat het tegen zit, is het dan niet goed te weten dat op dat moment Jezus voor ons bidt? Zelfs als wij niet meer kunnen bidden, als twijfel en ongeloof de bovenhand krijgen, blijft Jezus geduldig bidden voor ons, wordt Gods liefde voor ons niet geschrapt maar blijft God pogingen doen om in relatie te kunnen treden met ons. Ik denk dat we er allemaal van dromen om zo’n vrienden te hebben, sommigen van ons hebben misschien het geluk zo’n vrienden te hebben of proberen zo’n vrienden te zijn voor anderen. Maar christenen kunnen en mogen ook zeggen dat Jezus zo’n vriend wil zijn voor ieder van ons. Is dat niet fantastisch?