In de bovenzaal te Jeruzalem

 

We trekken in Jeruzalem naar de bovenzaal om biddend de komst van de Geest voor te bereiden. Wie vol is van zichzelf, biedt aan de Geest geen kans om binnen te treden.

We vermoeden met welke woorden de leerlingen in het cenakel hebben gebeden. Ze hebben eenvoudigweg gebeden van het joodse volk hernomen, vooral de psalmen (ps.104). Hoogstwaarschijnlijk hebben ze gedacht aan de beloften van de profeet Joël en hebben ze vermoed dat de dag nakend was waarop de Geest elkeen zou vervullen, jong en oud, man en vrouw, jood en Griek (Joël, 3). Zeker hebben ze woorden van Jezus ter overweging genomen. Ze moesten wennen aan zijn lijfelijke afwezigheid en deze omvormen tot een nieuwe aanwezigheid.

Vooraleer met geweld door te breken, is de Geest zacht in ons aanwezig. Hij komt onze onmacht tot bidden tegemoet. Vaak weten we niet hoe we moeten bidden, maar de heilige Geest komt onze zwakheid te hulp (Rom. 8,26). Wij richten tot hem deze eenvoudige bede: “Kom, heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw liefde” (Veni Sancte Spiritus, veni lumen cordium). Zulk gebed kan gevaarlijk zijn. Wat gebeurt er wanneer de wind aan het waaien gaat en het vuur alles in gloed zet? Misschien zijn we daarvoor bang en bidden we daardoor zo zelden tot de Geest!

Samen met Maria

Lucas, auteur van het derde evangelie en van de Handelingen, vermeldt uitdrukkelijk de aanwezigheid van Maria in de bovenzaal. De Schrift is vrij sober over Maria, de moeder van Jezus. Ze heeft er niet de eerste plaats, maar wel haar Zoon, die Gods heerschappij aankondigde en dichterbij bracht. Mattheüs en Lucas vernoemen Maria in het kindsheid-evangelie. Ze staat op de drempel van het Nieuwe Testament, maar haar wortels steken in het Oude Testament en in de joodse vroomheid.

Tijdens het openbaar leven van Jezus onderstrepen Mattheüs, Marcus en Lucas eerder een afstand tussen Jezus en zijn omgeving en de familie waarin hij opgroeide (Mt. 12,46-50; Mc. 3,31-45; Lc. 8,19-21). In het vierde evangelie is Maria aanwezig op een huwelijksfeest. Ze voelde dat Jezus daar afstand schiep. Toch ging hij in op haar vraag om de feestvierders te helpen. Aanwezig op momenten van vreugde, is ze tevens aanwezig in het zware uur waarin Jezus stierf. Maria, die Jezus ter wereld bracht en zijn moeder is, heeft zelf moeten luisteren naar het woord van God en werd opgeroepen dit te onderhouden (Lc. 11,27-28). Maria hoorde Jezus zeggen: “Mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel” (Mt. 12,50; Lc. 8,19-21).

Maria is ons allen voorgegaan op de pelgrimstocht van het geloof. Ze is standvastig gebleven in de verbondenheid met haar Zoon tot onder zijn kruis (L. G, 58).

Maria, het geheugen van de Kerk

Maria is in de bovenzaal te midden van de leerlingen. Zij heeft een lange weg afgelegd tussen Nazareth, waar de bode Gabriël haar bezocht, en Jeruzalem, waar zij wacht op de Geest. We kunnen ons inbeelden hoe de vrienden van Jezus haar ondervroegen over haar Zoon Jezus. Maria had immers alles wat gebeurd was, in haar hart bewaard (Lc. 2,51).

Haar ervaring kon verhelderend zijn voor de wachtende en biddende gemeenschap in Jeruzalem. Maria is het geheugen voor de jonge Kerk, zoals ze jaren voordien het geheugen was geweest waaruit Jezus heeft geput. Als gelovige vrouw, biddend tussen de broeders en de zussen van de Heer, heeft ze hen allen geholpen om te groeien in vertrouwen.

Samen met Maria, de moeder van Jezus” (Hnd. 1,14). Met deze enkele woorden duidt Lucas heel goed de plaats van Maria. Ze is niet afgezonderd van de grote gemeenschap. Ze heeft een band met Jezus en is verbonden met de Kerk. Tijdens het tweede Vaticaans Concilie hebben de bisschoppen deze dubbele verbondenheid van Maria erkend. Het laatste hoofdstuk van hun bezinning over de Kerk is aan haar gewijd en draagt als titel: De heilige maagd en moeder Gods Maria in het mysterie van Christus en de Kerk (Lumen Gentium).

Maria, de moeder van Christus, is de gelovige vrouw die heeft geluisterd naar de boodschap van haar Zoon. Ze wordt geprezen als de moeder van de gelovigen en de moeder van de Kerk. De Katechismus van de Katholieke Kerk beschrijft het werk van de Geest in Maria (K.K.K. 724, 725, 726).

Maria op onze weg

Maria is nu verheerlijkt bij haar Zoon, de Verrezene, en opgenomen in de grote gemeenschap van heiligen. Ze blijft vandaar verbonden met alle mensenkinderen. Samen met Maria zien we uit naar de Geest die ons dichter bij Jezus brengt en samen met haar dragen we de zorg voor onze ‘naaste’.

Maria blijft aanwezig wanneer we een Weesgegroet tot haar richten. Ze verwijst naar Jezus wanneer we haar groeten in een bedevaartsoord. Ze wakkert de vlam aan van het geloof wanneer we een kaars aansteken en wanneer we haar omwille van haar band met haar Zoon prijzen als de schone Vrouwe.

We bidden met Maria tijdens de Pinksternoveen dat de Geest kracht mag geven aan het Woord van Jezus, zodat dit de wereld blijft voeden en verhelderen.

Heer, help ons om de vlam van de eerste christenen weer te vinden
en de kracht van de eerste evangelisatie,
die begon op een Pinkstermorgen in het Cenakel van Jeruzalem,
waar uw leerlingen, die in gebed verenigd waren met Maria,
de vervulling van uw Belofte afwachtten.

Geef ons de genade vernieuwd te worden ‘door de Geest en door Vuur’.

Leer ons spreken tot de wereld met tongen van vuur,
moge er een einde komen aan het lijden van christenen die bang zijn en stom,
die, ongerust, onze problemen van vandaag bespreken,
zoals toen op de weg van Jeruzalem naar Emmaüs,
en die niet weten dat de Meester verrezen is en leeft.

Heer, open ons om uw heilige Geest te ontvangen,
leer ons hem verwachten,
zoals Maria op het ogenblik van Pinksteren - deze geboorte van de Kerk-
waar ze ook onze Moeder werd.

Leer aan de toekomstige generaties dat Jezus Christus uw Zoon,
voor alle komende eeuwen de Redden van de Wereld blijft.

(Kardinaal Suenens, Terugblik en verwachting)

Paus Franciscus in het cenakel

Ter aanvulling enkele gedachten uit de homilie van paus Franciscus tijdens de eucharistie bij zijn bezoek aan het cenakel in Jeruzalem op maandag 26 mei 2014. “Deze zo betekenisvolle plaats is verbonden met de viering van het laatste avondmaal, met de verschijning aldaar van de verrezen Heer op de paasavond en met de zending van de Geest over Maria en de apostelen. De Kerk is er geboren en is vandaar vertrokken: het gebroken brood in de handen, de wonden van Jezus voor ogen en met de kracht van de Geest in het hart.

Gezonden door de Vader, gaf Jezus er zijn Geest aan zijn apostelen om met diens kracht de aarde te vernieuwen (Ps 104,30).Naar buiten gaan, er op uit trekken. Daarbij niet vergeten wat is gebeurd. De Geest houdt de herinnering aan Jezus levendig.


De zaal van het avondmaal herinnert aan de dienst van de voetwassing als blijvend voorbeeld en opgave voor de leerlingen. Elkaar de voeten wassen houdt in om elkaar te aanvaarden en aan te nemen, te beminnen, elkaar te dienen. Het betekent de armen, de zieken, wie uitgesloten is, te dienen, degene, die mij niet sympathiek is, die mij ergert.

Deze plaats herinnert aan het offer, dat in de eucharistie besloten ligt. In elke Eucharistie biedt Jezus zich aan zijn Vader aan, zodat ook wij ons met hem kunnen verbinden en aan God ons leven, ons werk, onze vreugde en ons leed aanbieden. De zaal van het avondmaal wijst op de vriendschap van Jezus (Joh 15,15). De Heer maakt ons tot zijn vrienden. Hij wijdt ons in de wil van de Vader. Hij schenkt zichzelf aan ons. Elke christen mag ervaren vriend van Jezus te zijn.

Het cenakel herinnert aan het afscheid van Jezus en aan zijn belofte dat hij ons niet alleen laat en ons zal brengen waar hij is (Joh 14,3).

Het cenakel herinnert ook aan de kleinheid van de mens, aan het verraad dat wij kunnen plegen. “Wie is de verrader?” Elk van ons kan het zijn wanneer ik hooghartig op mijn broeder en zuster neerzie, hen veroordeel.

De zaal van het avondmaal herinnert aan het delen met elkaar, aan de broederlijke en zusterlijke dienst, aan harmonie en overeenkomst, aan de vrede onder elkaar. Zoveel liefde en goedheid hebben hier hun oorsprong. Hier is de bron van een stroom van liefde, waain zoveel heiligen hebben gedeeld en waaraan de Kerk zich voedt.

Tenslotte herinnert het cenakel aan de geboorte van de nieuwe familie, die de Kerk is. De christelijke gezinnen hebben hierbinnen hun plaats. Tot deze familie zijn alle kinderen van God van uit alle volkeren en talen uitgenodigd. Wij zijn broeders en zusters van eenzelfde Vader.

Het cenakel roept ons op om te blijven bidden samen met Maria en om uit te zien naar een nieuwe uitstorting van de Geest” (Zie www. vatican.va)