6e zondag in de paastijd A

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
 

Jezus werkt dus niet alléén. God, zijn Vader, werkt voor Hem. Zijn werk is het dat Hij doet. Als God de mensen wil samenvoegen "als levende stenen in de bouw van de geestelijke tempel", als Petrus Jezus' werk moet verder zetten, als hij allen moet samenbrengen, allen in liefde moet doen leven, allen de Vader moet doen ontdekken, de "ruimte voor velen" uitbreiden voor allen, "grotere werken" moet doen dan Jezus zelf, dan zijn hulp en raad en steun broodnodig.

 

Jezus belooft de leerlingen een andere Helper. De Vader zal Hem geven op zijn gebed, Hij zal altijd bij de leerlingen blijven, Hij zal zelfs in hen blijven: "de Geest van de waarheid".

 

"De wereld ziet Hem niet", zegt Jezus. Wij zien Hem ook niet, maar wij kennen Hem. De leerling ziet de toekomst niet. Hij onderscheidt wel het werk, voldoende om te projecteren, om te hopen, en Hij kent de Geest die in hem leeft.

 

De mensen zien de toekomst nooit. Maar wie iemand naast zich heeft, die voor altijd wil blijven, om te helpen, om te steunen, om moed te geven en om mee te werken, iemand in zijn hoofd en in zijn hart, die hij liefheeft en aanbidt, die bouwt aan een "ruimte voor velen".

 

"De Helper zal altijd blijven", zegt Jezus. Ook dat is zoals met mensen onderling. Er is een tijd dat alles vanzelf loopt, dat hulp wel overbodig lijkt. Het is een tijd om dichter bij mekaar te leven, om iets weg te leggen voor de toekomst, om meer te geven aan wie in nood is, om de liefde te verdiepen en te versterken, anders wordt ze zwak en oppervlakkig. "Liefde wordt altijd zwakker of sterker". Ze blijft nooit gelijk.

 

Zo gaat het tussen de mensen. Zo gaat het tussen de Geest en de leerlingen, tussen de Heilige Geest en de christenen. De Helper blijft altijd, maar als de Kerk wereld wordt, als de Geest die in haar woont, niet meer aanbeden en geliefd wordt, wordt ze, zoals de wereld, "niet ontvankelijk". "Hij blijft bij u en zal in u zijn", zegt Jezus, maar Hij is voor u niet onverschillig en wil zich altijd dieper in u nestelen, als een geliefde in wie de liefde groeit. Waar de liefde afneemt komt de omhelzing los, komt een moment waarop ze sterft, waarop het doen en spreken niet meer waar zijn.

 

Hetzelfde gebeurt waar de christenen de liefde van de Geest niet meer liefhebben. Ze maken zich langzaam los uit de omhelzing van "de Geest van de waarheid" en gaan zich ergeren als Hij spreekt, of werkt waar zij iets anders willen doen. Voor Jezus, die Hem zendt, en die voor de deur staat en klopt, doen ze niet meer open. De Vader die de Geest met Jezus zendt moet zelf het huis verlaten. Het wordt koud in de "ruimte voor velen", buiten hoort men vreemd lawaai en binnen wordt de liefde een herinnering, ook als er nog veel goeds gebeurt.

 

Als de liefde dood is, kun je nog altijd wat voor de kinderen doen, maar de kinderen missen het voornaamste. Zo kunnen de leerlingen, de christenen, zo kan de Kerk nog veel goeds doen, nog veel onrechtvaardigheid aanklagen, nog in veel noden tussenkomen, maar in haar hart is iets gebroken als de Geest niet meer aanbeden wordt. Dan zien de armen die ze helpt, van de Helper zelf geen teken meer, over de Heilige Geest horen ze niets meer. "De Geest van de waarheid" kennen ze niet. Ze grijpen in het wilde naar zijn vruchten maar de boom wordt in hun leven niet geplant. De oneindig rijke bron van liefde, de Helper in hen, die hen op hun beurt stuwt, om voor altijd bij andere armen te blijven en altijd uit liefde anderen te helpen, geeft geen water meer van eeuwig leven.