6e zondag van Pasen A (2008)

Iedere zondag geeft de kerk ons drie lezingen om in de liturgie te beluisteren en overwegen: Een eerste lezing, meestal uit het Oude Testament, een tweede lezing uit de brieven van het nieuwe testament, en het evangelie. Omdat we in onze kerk gewend zijn twee lezingen te beluisteren, moet er dus iedere week uit die drie gekozen worden. We lezen in ieder geval het evangelie: De verhalen over Jezus moeten iedere week klinken, omdat hij onze toegang tot God is: "Weg, waarheid en leven", hoorden we vorige week nog (Joh 14,6).
Dat laat een keuze over tussen Oude Testament of brief. Meestal valt de keuze dan op de lezing uit het Oude Testament. Daar is ook veel voor te zeggen. De woorden uit het oude verbond van God met het volk van Israël horen voluit bij de kerk: Zonder de verhalen over de schepping en de uittocht uit Egypte, zonder de tien geboden, zonder de grote profeten, zonder Job en de psalmen, kunnen we niet verstaan wie Jezus is, en niet begrijpen wie we zelf zijn. Daarom kiezen we vaak graag voor het Oude Testament.
Maar er is nog wel eens een tweede reden om voor het Oude Testament te kiezen: Dat de lezingen uit de brieven vaak zo moeilijk en ontoegankelijk zijn, bijna letterlijk "een boek met zeven zegels". Dan valt de lezing uit de brieven vaak al snel af.

Nu is het ontegenzeggelijk waar dat de brieven uit het Nieuwe Testament niet allemaal makkelijk te lezen zijn. En dan lezen we in de kerk vaak ook nog een klein stukje, ergens midden uit de brief, waardoor je al helemaal niet zo goed weet waar je binnenkomt. Ik bedoel: Als er een lange brief van een goede vriend op de mat valt, of je een uitvoerige email van een goede vriendin op je scherm ziet verschijnen, begin je toch graag vooraan te lezen. Met de brieven uit het Nieuwe Testament is het eigenlijk niet anders.
De consequentie van dit alles is wel, dat we de brieven uit het Nieuwe Testament maar weinig in de liturgie horen, en dat is jammer. Niet alleen omdat het onvergetelijke getuigen zijn van de het begin van het christendom, maar ook omdat het vaak zulke prachtige teksten zijn.
Daarom hebben we als pastores besloten deze zomer in onze parochies eens één brief bij de kop te pakken: We zullen een aantal zondagen achter elkaar gaan lezen uit de brief van Paulus aan de Romeinen, de langste, en misschien ook wel de mooiste brief uit het Nieuwe Testament. U leest er binnenkort meer over in PK.

Vandaag hebben we in de eerste lezing een klein stukje gehoord uit een andere brief: De eerste brief van Petrus. Of deze brief echt door Petrus of door een van zijn leerlingen weten we niet, en eigenlijk is dat ook niet zo belangrijk. De christenen van de eerste eeuwen hebben in deze brief de stem en de stijl van Petrus herkend, en nog belangrijker, ze hebben er de stem van God in gehoord. Daarom staat hij in onze bijbel, en daarom lezen we hem in de liturgie.

Petrus begint zijn brief met de geadresseerden: Hij schrijft zijn brief "aan de christenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven" (1 Petr 1,1), dat wil zeggen: in heidens, niet-joods gebied. Daarom ook schrijft hij dat ze er "als vreemdelingen" verblijven: Ze wonen in die cultuur, maar zijn er ook niet helemaal thuis.

Beetje bij beetje zijn we als christenen in onze cultuur opnieuw in zo'n situatie beland. We gebruiken het woord `heidenen' dan wel niet zo graag meer voor de niet-christenen, maar je merkt wel steeds meer dat met het voortschrijden van de ontkerkelijking, ook de taal van ons geloof voor onze samenleving steeds moeilijker te verstaan wordt, en steeds meer mensen steeds minder met het christendom vertrouwd zijn. En dus moet je steeds vaker de meest vanzelfsprekende dingen uitleggen: aan mensen die er niks mee hebben, of die er soms juist heel veel tegen hebben. En ook aan onszelf, omdat ook wij het niet vanzelfsprekend met de cultuur meekrijgen. Dan kun je wat moedeloos worden, als je merkt dat je met een gesprekspartner te maken hebt die al zijn kennis over het christendom gehaald heeft uit de da Vinci Code (voor wie er van houdt een aardige detective, maar een roman, fictie dus, en historisch totaal onbetrouwbaar), of die denkt dat omdat een kardinaal ergens iets gezegd heeft, alle 1,1 miljard katholieken ter wereld er dus precies hetzelfde over denken als hij (Nee dank u wel, we hebben als katholieken geleerd om goed te luisteren als een kardinaal iets zegt, maar de goede God heeft ieder van ons een eigen verstand en een eigen geweten gegeven, en de kerk moedigt ons zeer aan die ook allebei goed te gebruiken).

Aan christenen in zo'n cultuur, aan ons dus, schrijft Petrus zijn eerste brief. En in het stukje dat we zojuist hoorden, komt ineens een pracht van een zin langs, waar je in de gauwigheid overheen zou lezen: Wees steeds bereid verantwoording af te leggen van de hoop die in u leeft (1 Petr 3, 15).

Wees steeds bereid verantwoording af te leggen van de hoop die in u leeft.
Het is een verrassende zin. Je zou iets verwachten als "wees bereid om verantwoording af te leggen van wat je vindt, van je overtuigingen, van waar je voor staat." Maar Petrus schrijft: "Wees bereid verantwoording af te leggen van de hoop die in je leeft." Christenen herken je dus in eerste instantie aan hun hoop. Wat is die hoop?

Het is in ieder geval niet hetzelfde als optimisme. Een optimist kan vrolijk fluitend over echte moeilijkheden heen walsen: "Het komt toch allemaal wel goed." En dan vergeet je goed te kijken naar wat er echt aan de hand is. Hoop begint met realisme: De mooie dingen om je heen kunnen zien en de lelijke, de mooie kanten van mezelf kunnen zien, en de lelijke. En het daar dan mee uithouden. Zo zie ik eruit, zo ziet onze wereld eruit, en zo is ze door God geliefd.

Over die hoop gaat het in het evangelie, als Jezus tegen zijn leerlingen zegt dat hij ze niet alleen achterlaat, maar ze een pleitbezorger zal geven, een advocaat, iemand die het voor ze opneemt. Die pleitbezorger krijgt een naam: "de Geest van Waarheid." En opnieuw valt er een woord waar wij vaak wat voor terugschrikken: Waarheid. Want als we daarover beginnen, komt de intolerantie al snel om de hoek, zo denken we dan.
Nu is waarheid in ons geloof niet zoiets als een theorie. Waarheid is in eerste instantie een persoon. Jezus zei het in de evangelielezing van vorige week: "Ik ben weg, waarheid en leven". Hij toont ons het ware gezicht van onze God. Iemand formuleerde eens: "Jezus is God op zijn menselijks", God die zich als mens laat kennen. Daarin is Jezus de ware, de waarachtige: Een mooier, beter beeld van wie God is, en van zijn liefde voor ons kun je niet zien dan in die mens, en hoe hij met de mensen die hij ontmoette tegenkwam, hoe hij wandelde met God. De Geest van die Waarheid, de Geest van Jezus dus, leeft in ons, zegt het evangelie vandaag: Waar wij op Zijn weg gaan, de weg die leidt naar Pasen, naar een leven als verrezen mensen, naar een leven waarin we helemaal zullen zijn zoals God ons bedoeld heeft, daar woont Zijn Geest in ons.

Dat dat kan, steeds opnieuw mensen van Pasen worden in ons leven van alledag en ooit definitief bij God, dat is de hoop uit de brief van Petrus. Als je één zin zou moeten kiezen uit het Nieuwe Testament die een opdracht is voor ons, mensen van onze tijd, dan zou het misschien wel die zin moeten zijn:

Wees steeds bereid verantwoording af te leggen van de hoop die in u leeft .