6e zondag van Pasen A (2008)

Beste dorpsgenoten,
Gisteren maakte ik iets mee dat mij leerde dat ik toch niet een zodanige betrouwbare indruk maak als ik wel zou willen. Toen ik aan het wandelen was stopte een auto. Een dame stapte uit en vroeg me de weg naar een bepaald adres. Ik wees haar de richting aan die ik vanaf dat punt zelf ook gevolgd zou hebben. Ik zag dat de auto een paar honderd meter verder opnieuw stopte en een fietser aansprak. De auto reed daarna weer verder en ik zag dat hij een heel andere richting ging volgen.
Goed beschouwd probeer ik elke zondag een richting aan te geven. En u bent niet steeds in de gelegenheid daarna iemand te vragen die de weg beter lijkt te kennen!
Daarom leg ik u uit waarom ik mij niet alleen bij Gods woord houd als ik mijn overdenking met u deel.
Zo'n veertig jaar geleden heb ik in Rome veel contact gehad met een Franse bijbelgeleerde, Xavier Léon-Dufour. Hij was lid van de Pauselijke Bijbelcommissie. Hij vond dat we Gods wil om zich te openbaren en zich door ons te laten kennen niet mogen beperken tot de bijbel. Het was zijn overtuiging dat we God nu ook zien en beluisteren in de actualiteit van elke dag, in het nieuws, op TV, in allerlei vormen van kunst en muziek, in het doen en laten van mensen. Hoogst betrouwbare sporen van Gods aanwezigheid onder ons zijn barmhartigheid, bewondering, dankbaarheid, eerbied, vreugde. Als zulke gevoelens in ons opkomen, mogen we ons aangesproken voelen juist zoals Mozes toen hij het brandende braambos zag.
Ik kan alleen maar zeggen dat ik steeds meer bevestigd word in zijn visie.
Hij moest wel toegeven dat in de pauselijke commissie, waarin hij zitting had, niemand het met hem eens was!
Nu naar het evangelie en wel naar een enkel woord dat daarin voorkomt : "Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven : de Geest van de waarheid."
Dat woord helper deed mij denken aan en woord in het scheppingsverhaal. We lezen daar dat God, voordat er levende gewassen en dieren en water waren, de mens boetseerde uit stof en hem zijn levensadem, zijn geest, in de neus blies. Toen legde de schepper het paradijs aan met alles dat daar in thuis hoort en vertrouwde het toe aan de jonge mens. Vervolgens sprak God: "Het is niet goed dat de mens alleen blijft. - alsof God dat gevoel al kende. - Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past." U weet hoe dat in zijn werk ging.
Wie is nu onze helper : die Heilige Geest, door Jezus beloofd of die hulpe die God aan Adam schonk om niet alleen te zijn?
De vorige week heb ik er op gewezen dat we er vóór alles er aan moeten werken om helemaal thuis te raken hier op deze aarde voordat we mogelijk onze intrek gaan nemen in de ruimte die op ons wacht in die andere wereld.
En nu blijkt dat de Schepper ons een hulpe heeft gegeven die ons helpt thuis te raken op deze aarde. Is dat niet een schitterende omschrijving wat de vrouw kan betekenen : het wezen dat ons helpt thuis te raken op deze aarde? Het geschenk dat bij ons past zodat we niet alleen zijn. (Alleen de Moederkerk, de enige kerk, vindt dat haar personeel zo'n hulpe niet nodig heeft.) En als we er bij stil staan, dan kunnen we subtiele overeenkomsten zien tussen helper en hulpe.
De laatste jaren wordt er eentonig en dwangmatig gepraat over de noodzaak dat vrouwen meer moeten gaan werken, dat zij een grotere plaats moeten gaan innemen op de arbeidsmarkt, meer moeten gaan verdienen en meer carrière moeten maken. Want anders worden we de vergrijzing niet de baas en produceren we niet genoeg om de economie te laten floreren. De vrouw wordt in die verwachting niet meer gezien als hulpe, dat we niet alleen zijn, en dat we ons hier thuis gaan voelen. Ze wordt daarin gereduceerd tot een gewone werkkracht, personeel dat we nodig hebben, meer niet.
Deze week las ik over een Canadese vrouw, Susan Pinker (schrijfster van De Seksparadox): die zei : "Vrouwen kúnnen wel hetzelfde als mannen, maar ze wíllen niet hetzelfde." En drie Nederlandse vrouwen, alle drie moeder en docente aan een universiteit: "[Voorlopig] heeft de Nederlandse vrouw, die zich niets aantrekt van al die eisen en gewoon parttime blijft werken, geen borstvoeding geeft en geen carrière maakt, eigenlijk gewoon gelijk. Want de vrouw is geen melkkoe."
Ik eindig met een citaat van Cornelis Verhoeven, waarin het mysterie van de Helper die Jezus ons beloofde, en dat van de Hulpe die God aan de mensen schonk, delicaat ineen vloeien:
"Bij het Griekse "pneuma" en het Latijnse "spiritus" gaat het om "adem", iets warms en dierbaars dat wij in ons hebben en een enkele keer aan anderen kunnen meedelen. Maar aan de bovenkant van zijn betekenis, waar hij het mooist, het meest goddelijk en het meest raadselachtig is, onttrekt de geest zich totaal aan ons bezit, onze beschikking en onze temperatuur. Hij is daar niet "mijn"geest, maar "de" geest, de wind die waait waar hij wil - in elk geval niet waar wij dat willen. Hij staat daar wel tegenover de letter die doodt, maar hij is evengoed de onverhoeds opstekende stormvlaag die letters en letterlijkheid kan wegvagen. Die geest hebben wij niet , maar wij zeggen van hem dat hij over ons kan komen als een kracht die wij niet kennen en waar wij niet de trotse bezitters van zijn. Juist op het moment waarop de "geest" zich aan onze greep onttrekt en eerder betrekking heeft op ons onvermogen dan op wat wij zoal kunnen, precies daar waar onze activiteit een afwachtende houding en passiviteit wordt, bereikt het woord het hoogtepunt in de ontwikkeling van zijn betekenis." (Dierbare woorden, 143.)