Werken aan voedsel (2002)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

INLEIDING 

Pastores werkzaam in het arbeidspastoraat, b.v. binnen grote bedrijven, vragen jaarlijks
op de ‘zondag van de arbeid’ nu op 5 mei, om aandacht voor bezinning rond een actueel en fundamenteel thema. Dit jaar gaat het over ‘Werken aan voedsel’. Dit thema is actueel omdat de agrarische sector en de voedseleconomie in een crisis verkeren.
Onze voedselsituatie is paradoxaal: talloze mensen elders hebben voedselgebrek of sterven van de honger en in onze  technologische samenleving is overcapaciteit van de voedselproductie een probleem.
Problemen rond voedsel raken ons allemaal of we nu producent of consument zijn. 
Voor gelovigen zou het verbouwen en het eten van voedsel  in een nauwe relatie moeten staan met God en Zijn schepping; de alledaagse werkelijkheid wekt in ieder geval de indruk dat we die relatie nauwelijks nog leggen. Daarom is het goed dat wij binnen de liturgie ons bezinnen op wat voedsel voor ons betekent. 

Eerste lezing: alternatief:  een indiaanse visie op het beheer van de aarde.
                       Uit: Hoe kun je lucht bezitten?
“Hoe kun je de prikkeling van de lucht en het kabbelen van water bezitten? Hoe kun je de lucht, de warmte van het land kopen en verkopen?”
Het is 1854. Opperhoofd Seattle van de Dwamish- stam richt zich met een indringende toespraak tot de Amerikaanse Regering die het land van de Indianen wil kopen. 
Seattle wees het verzoek niet af, maar maakt de indiaanse zienswijze duidelijk:
Ik lees gedeelten voor uit zijn toespraak:
Elk stuk van dit land is heilig voor mijn volk 
Iedere spar, die glanst in de zon, elk zandstrand, elke nevel in de donkere bossen,
elke open plaats, elke zoemende bij is heilig in mijn gedachten en herinnering van mijn volk.
Wij zijn een deel van de aarde en de aarde is een deel van ons.
De geurende bloemen zijn onze zusters, het rendier, het paard, de grote adelaars onze broeders.
Dat glinsterende water dat stroomt in beken en rivieren is niet zomaar water. Het is het bloed van onze voorouders. Als wij het land verkopen moet u bedenken dat het gewijde grond is en u moet uw kinderen leren dat het heilig is. Wat heeft het leven voor zin als een man niet meer de eenzame kreet van de nachtuil kan horen of het praten van de kikkers rond het meer in de avond?
De lucht is kostbaar voor de rode man, want alles deelt dezelfde lucht. De dieren, de bomen de mensen, alles heeft deel aan dezelfde lucht. U moet uw kinderen leren dat de grond onder hun voeten de as van onze grootouders is. Leer ze eerbied voor de aarde, vertel uw kinderen dat de aarde onze moeder is. Dit weten wij: de aarde behoort niet aan de mens. De mens behoort aan de aarde. 

OVERWEGING

Op het eerste gezicht lijkt de tekst van Johannes weinig te maken te hebben met voedsel, terwijl Seattle ‘s toespraak als het ware de eerbied voor moeder aarde uitschreeuwt. Johannes zegt wie Mijn geboden onderhoudt, heeft Mij lief en zal door de Vader worden bemind, en  Ik zal Mij aan deze mens openbaren.
Het lijkt bijna zeker dat God zich geopenbaard heeft aan deze Indiaan, hoe zou hij anders zo indringend hebben kunnen spreken? Bij nader inzien blijkt er meer samenhang dan verwacht tussen beide teksten: zowel Seattle als Johannes spreken over geboden, als bepalingen waar je bewust voor kiest,  bepalingen die fundamenteel zijn  in je leven zoals voedsel er één is en voor vandaag het thema.
2000 jaar geleden bestond er een fundamentele en intensieve relatie bij het joodse volk en de eerste christenen tussen het geloof in God en het leven van alledag en dus ook, en met name, in het werken met en gebruiken van voedsel.
Het joodse volk verstaat de wereld religieus. Het leven, de voortgang van de seizoenen, de omgang met de aarde  en haar opbrengsten, het ruilen van de opbrengsten, alles komt voort uit en is verbonden met God. De Joden sluiten vanuit dat bewustzijn een Verbond met God wetende dat er tijden zullen zijn van hongersnood, ellende en bevrijding. Uit dat Verbond ontstaat de wet van Mozes waarin onder andere voedselvoorschriften staan. Gelovige Joden zijn nog steeds zeer strikt in hun voedselbereiding en in de geboden die Jaweh in hun hart heeft geprent, zoals in Deuterenomium staat ( 6,5-6) 

Ook de jonge ‘christen’ kerk ervaart Jezus en Zijn geboden als richtsnoer voor hun totale leven.
Het eerste gebod “heb elkaar lief” vraagt om respect en omzien naar elkaar, en naar alles wat een mens nodig heeft om te kunnen bestaan. Het leven van een christengelovige is als een gebed, waarin kennis over God ‘geboden’ wordt, die weer leidt tot een dieper inzicht in de richtlijnen voor het dagelijks leven. Gelovigen ontvangen de heilige Geest die kracht en leven geeft en daarmee barmhartigheid en gerechtigheid als waarden die een goed samenleven mogelijk maken.

Joden, de eerste christenen, Indianen,  zij verstaan het werken aan voedsel religieus. Voedsel en vee zijn bron van leven en overleven. Alle regels, ook de omgang met slaven en vreemdelingen staan in een theologische, en religieuze context namelijk in het Verbond tussen God en de mensen.
Wij nu, eten ‘bij de dag’ en maken ons geen zorgen over morgen. Onze band met voedsel wordt minder sterk naarmate de overvloed en koopkracht toenemen. We maken geen kruis meer met het mes over het brood, zoals mijn moeder deed; gesneden brood in een plastic zak daar past geen kruis bij. De overvloed roept zelfs nieuwe problemen op, zoals het ontstaan van ziekten, verleden jaar de mkz crisis,  en problemen rond dik-zijn, immers slank zijn is hèt schoonheidsideaal. 
We ervaren nauwelijks nog een religieus verstaan van de wereld en zeker niet binnen de economische en politieke wereld. Er lijkt steeds meer een scheiding te bestaan tussen de wereld van alledag en de wereld van God, die van alledag is seculier en publiek, die van God sacraal en privé. Voor ons is de wereld van de economie onmisbaar voor het bestaan en voortbestaan, die van God meer een luxe toevoeging.
Feit is dat we als gelovigen in beide werelden staan; er zijn geen voor de hand liggende oplossingen tussen beide werelden mogelijk. T.a.v. voedsel gelden economische wetten en de regels van het Ministerie van Landbouw en de Europese Unie, de regels van God, het Verbond en de schepping lijken daarin geen rol te spelen. 
Toch zeggen de apostelen dat Jezus de weg is. Geloven in Hem betekent niet geloven in een alternatief systeem van Hem, Hij vecht niet binnen het systeem om de macht  in het systeem, Hij biedt een alternatief  voor bevrijding uit alle systemen die streven naar menselijke macht. Hij wijst een weg van dienstbaarheid en weerloosheid, die langs en door alle machtssystemen heen leidt naar het machtssysteem van God: en dat is  het heilssysteem van het Verbond als een bevrijdende mogelijkheid of dimensie naast de onze
Die bevrijdende mogelijkheid kan vertrekpunt zijn of een reden bieden, om onze huidige verhalen te vergelijken met de verhalen van mensen uit onze Joods-christelijke  traditie en andere tradities zoals van opperhoofd Seattle die vertellen dat er een God is die met mensen is begaan of verhalen, waarin altijd feilbare mensen, God hebben ontmoet in  hun doen en laten. Deze verhalen zijn niet geschreven om de totale verdorvenheid van de mensheid te laten zien, maar de mens te laten zien als een wezen dat verlangt naar en leeft van bevrijding. We moeten ons wapenen tegen vanzelfsprekendheden in onze omgang met de schepping; en ons bewustzijn tot leven wekken waarin eerbied voor het leven voorop staat 
Zijn Naam – Ik zal er zijn- stáát er en blijft er ook staan, wat er ook moge gebeuren in de toekomst. Hij zond ons Zijn helper, Zijn Geest.