6° Paaszondag A (2014)

"In het Stedelijk Museum zag ik twee oude, kale mannen traag langs de schilderijen schuiven. Het bijzondere aan hen was dat ze elkaar voortdurend bij de hand vasthielden. Het waren geen opzichtige, extravagante mannen - integendeel. Ze waren sober gekleed en ze praatten zacht, bijna fluisterend, tegen elkaar. Ook gaven ze zich niet over aan opzichtige liefdeblijken, zoals strelingen en omhelzingen.

Er waren alleen die handen die elkaar onafgebroken vasthielden. Van het ene naar het andere schilderij, zaal in, zaal uit, trap op, trap af, soms omdraaien, soms opzij, soms achteruit, soms vooruit. Ik moest blijven kijken: hielden ze elkaar nog steeds vast? Zo ja, dan was ik eindelijk getuige van eeuwige liefde.

Buiten zag ik ze weer. Daar liepen ze. Aan de overkant van de straat. Hand in hand."

Een observatie, dierbare gasten en parochianen, in het Stedelijk Museum, hier in ons eigen stadsdeel Amsterdam-Zuid. Een observatie, niet van mijzelf, maar van mijn favouriete columnist Frits Abrahams, op de achterpagina van NRC-Handelsblad, afgelopen maandag. Een observatie, zeer geschikt, zo dunkt mij, om er deze verkondiging op deze zesde zondag van Pasen mee te beginnen. Want in het Johannes-evangelie horen wij Jezus vandaag zeggen: "Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden" - "mijn geboden bewaren" schrijft de Naardense bijbel.

Vooróp staat dus dat "liefhebben". En wat is "liefhebben"? Nou, - zie die twee mannen in het Stedelijk Museum. Maar het hadden natuurlijk ook een man en een vrouw, of twee vrouwen of een ouder en een kind kunnen zijn geweest die in voortdurend teder contact met elkaar zich door de zalen van het museum zouden hebben bewogen. Maar het wáren twee mannen die Frits Abrahams zag. "Liefhebben", dierbare gasten en parochianen, dat is niet iets abstracts. "Liefhebben" daarover moet je niet theoretiseren. "Liefhebben", dat moet je voelen, zien, erváren. Liefhebben moet je doen. Of nee, laat dat "moeten" er maar af. Liefhebben gebeurt. Het overkomt je: het liefhebben van een ander mens, van andere mensen, het liefhebben van jezelf én het liefhebben ook van Jezus, het liefhebben van God. Mensen die liefhebben, leven in een liefderijke sfeer waarin alle ontmoetingen en ervaringen zijn ingebed. Een liefderijke sfeer, dat is een vrije sfeer, een ontspannen sfeer, een losse sfeer waarin niets móet. Dit is de grote paradox van de liefde: alleen als je een ander met wie je in liefde verbonden bent tegelijk los en vrij laat kan de liefde groeien. Liefde dwingt niets af en laat zich ook zelf niet afdwingen. Liefde is er alleen maar, die "werkt" alleen maar, als er ruimte is en vrijheid.

In die zin roept dat zinnetje in het evangelie wel een vraag op: "Als ge Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden." Zit daar niet toch ook iets dwingends in, iets van emotionele chantage zelfs? Nee... Dat kán natuurlijk niet de bedoeling zijn. "Geboden onderhouden" - dat woord "onderhouden" kun je ook vertalen met "in gedachten houden", "ter harte nemen" - in contact blijven met die geboden. Ik denk: wat Jezus hier in de weergave van Johannes wil zeggen is: Wie Mij liefheeft, die onderhóudt gewoon die geboden, die lééft gewoon op de manier van Jezus, omdat hij of zij niet anders kan en zelf niet anders wil. Wie Jezus liefheeft die doet wat goed is vanzelf. Zo zou het moeten zijn en zo kán het ook en zo komt het gelukkig ook vaak voor.

Kun je met God, kun je met Jezus in liefde leven zoals je met een tastbaar, concreet mens van vlees en bloed leeft? Die twee mannen in het Stedelijk hielden voortdurend elkaars hand vast, ook buiten nog. Maar wij weten: op enig moment zullen ze elkaars hand wél moeten loslaten, voor korte of langere tijd en ooit zelfs voorgoed op deze aarde. We leven in liefde, in verbondenheid, in verbinding met andere mensen, maar ten diepste en ook uiteindelijk moet ieder toch zijn en haar eigen weg gaan, het op haar en zijn eigen manier doen, zijn en haar eigen leven leven, haar en zijn eigen dood sterven. "Je moet het zelf doen. We kunnen niet voortdurend je handje blijven vasthouden." - Ik hoor het mijn ouders nog zeggen. Van de andere kant: dierbare mensen zitten in je, een geliefde zit in je, ook als hij of zij afwezig is, voor even of voorgoed.

Een jonge man van Duitse origine vertelde mij afgelopen week over zijn overgrootmoeder, zijn Uroma. Zij was 23, had één kind en was zwanger toen haar man naar Rusland moest, naar Hitlers oostfront. En hij is nooit weerom gekomen. En zij, die Uroma, is vanaf haar drieëntwintigste nooit meer met een andere man geweest. Heel haar verdere leven lang is zij haar omgekomen geliefde trouw gebleven, is zij met hem blijven leven. Voor een andere, een nieuwe liefde was in die zin bij haar, bij die Uroma, geen ruimte. De ruimte van de liefde in haar bleef ingenomen door hem. Hij bleef leven in haar hart en in haar geest. En haar kinderen waren de tastbare en levende herinnering aan hem. En daar had zij genoeg aan.

Jezus zegt: "De Vader zal op mijn gebed u een andere helper geven om voor altijd bij u te blijven: de Geest van de waarheid, voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. (...) gij (...) zult Mij zien. (...) Op die dag zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft." Woorden die spreken over het innerlijk geheim van een christen. Hij, zij leeft met Jezus' Geest, die van God, zoals de Uroma van die Duitse jonge man leefde met de geest van haar gestorven man. Er is sprake van een wederzijdse geestelijke doordringing van elkaar: "Ik in mijn Vader (...) en gij in Mij en Ik in u." Hij, Zijn Geest, zit in ons. Het is fijn en goed, het is "een genade" om bij die aanwezigheid van Hem in jou geregeld te verwijlen in gebed. Wij ervaren het als wij samen de eucharistie vieren. Dan voedt en vernieuwt Jezus Zijn aanwezigheid voor en in ons. Hij geeft er dan een nieuwe impuls aan. En in het heilig doopsel ontvangt de kerk van Hem, van Jezus, van God, van beider Geest haar kinderen. Vanmiddag om vier uur mag ik er weer twee dopen, Sebastian en Sarah. In het heilig doopsel worden de kinderen van de kerk gebaard, zij worden opgenomen in Christus' Lichaam dat de kerk is. Hun geest, die van die kinderen, gaat open voor de Zijne, die van God. Gods liefde, die van Christus, maakt in en met die kinderen, in Sarah en Sebastian vandaag, een nieuw begin. God, Jezus, houdt van die kinderen. En wij hopen dat zij, die kinderen, ook van Hem gaan houden en gaan leven in Zijn Geest, in Zijn spoor oftewel: die geboden gaan onderhouden omdat zij niet anders kunnen en niet anders willen, precies omwille van die liefde die God en mens verbindt. Zijn geboden onderhouden omdat je van Hem houdt, als teken van liefde. Mogen wij allen zo concreet, zo tastbaar met God, met Jezus leven. Amen.