LAATSTE WOORD

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

GEEN AFSCHEID

Uit mijn lerarentijd herinner ik me, dat er aan het eind van het schooljaar altijd wel een oudere collega was die afscheid nam. Dat ging gepaard met een speech en een cadeautje. De speech eindigde steevast met de opmerking: ‘Beste kerel’ - of ‘beste meid’ - ‘dit is geen afscheid; je weet, je bent altijd welkom! Als je in de buurt bent, loop gerust de lerarenkamer binnen om nog eens met ons koffie te drinken; je bent niet uit ons hart...!’ Dat werd stoer geroepen, maar iedereen wist uit ervaring dat de scheidende leraar zich hier absoluut nooit meer zou laten zien. Men zou heel raar opkijken als hij over anderhalve maand nog eens de school binnen zou stappen. Maar mensen houden niet van afscheid nemen. We zijn daar niet goed in, en daarom doen we zelfs bij een officieel afscheid alsof het geen afscheid is.


GEEN ADIEU

We hebben allemaal meegemaakt dat iemand stierf. Soms een heel dierbare mens, een broer of zus, een ouder of grootouder of een goede vriend; soms iemand die wat verder van ons af stond, een collega of goede buur. Toch heb ik het zelf maar vier keer meegemaakt, dat iemand heel bewust afscheid nam. Ik bedoel dus, dat iemand met precies zoveel woorden zei: ‘dit is de laatste keer dat we elkaar zien, en ik wil je nog graag hartelijk bedanken, je was een lieve zoon, je was een goede vriend, je was een integere baas!’ Het lijkt wel alsof we dat moment willen vermijden. Het is te pijnlijk. Meestal zeggen we zoiets als: ‘ik zie je nog wel...!’ En: ‘tot de volgende keer...’ ‘Eind volgende week kom ik nog eens langs...’ Al weten we bijna zeker dat de zieke de nacht niet meer haalt, toch doen we alsof het laatste woord nog niet gezegd hoeft te worden.


VAARWEL

Het is me dus niet vaak overkomen dat een stervende een echt afscheid wilde. Maar de keren dat zo’n gesprek plaatsvond zijn onvergetelijk; dan gaat het echt ergens over. Elkaar nooit meer zien wordt draaglijker als alles gezegd is. Je doet een ongekende kracht op. Het is alsof de dierbare met je meewandelt door de maanden die je daarna alleen gaat.
De keren dat ik het heb meegemaakt ging het initiatief altijd uit van de zieke. De stervende liet merken dat hij afscheid wilde nemen. Hij nam daar alle tijd voor. Hij maakte met iedereen op een aparte dag een afspraak en blikte terug op wat we samen hadden meegemaakt; eventueel gaf hij nog een goede raad of een excuus. De zieke nam het initiatief en dat is ook wel begrijpelijk. Zelf wil je het een doodziek mens niet moeilijker maken dan hij het al heeft. Als je merkt dat die bezig is de dood te verdringen dan wil je hem niet tot een afscheid dwingen! Achteraf, bij de begrafenis, denk je met spijt: waarom heb ik niet nog gezegd hoeveel die ander voor me betekende.


JEZUS' AFSCHEID

In het evangelie van Johannes houdt Jezus bij zijn afscheid een lange speech van enkele hoofdstukken. Jezus vat nog eens samen wat voor de jonge kerk belangrijk is.
Het belangrijkste dat Hij te zeggen heeft, is: Ik ga dood! Ik wordt gebroken als brood. Ik ben jullie tot voedsel. En het tweede: maak geen ruzie onder elkaar. Bewaar de eenheid. Ik hoor het alle ouders zeggen die stervend zijn. ‘Als de kinderen het maar een beetje met elkaar kunnen vinden.’ Jezus zegt: jullie moeten niet heersen over elkaar, maar elkaars dienaar zijn!
En ten derde: het is goed dat ik ga, want na mij gaat het verder. De geest van God zal jullie bezielen. Ik heb jullie hart voor die geest geopend. Veel mensen zien de kracht van God niet, omdat ze hem niet kennen. Ze hebben er geen woorden voor en geen beelden. Maar ik heb jullie laten zien hoe Gods geest is. Ik heb over jullie geblazen als de wind, en gezegd: vergeef elkaar, sticht vrede en leg zieken de handen op. Breek je brood en dank God. Als je in die geest leeft, dan heb je deel aan het werk van de Schepper zelf, dan besta je in eeuwigheid. Zo nam Jezus afscheid, in het besef dat iedereen er met zijn dood beter van zou worden!


KUSJE

Lieve kinderen. Kom, Olaf, geef oma eens een kusje, we gaan naar huis. Olaf stond al op de gang. Hij wilde het kusje overslaan. Hij vond oma wel lief, maar zijn gedachten waren al lang bij Boris die stond te blaffen achter het hek bij Leontien. Olaf was eigenlijk al weg. Met tegenzin draaide hij zich om, liep naar oma, gaf haar een zoen en weerde zich een beetje toen oma hem extra hartelijk tegen zich aandrukte. ‘Toe, Olaf, wees een beetje lief!’ ‘Ik ben ook lief’, protesteerde Olaf. Ineens wist hij het. ‘Maar weet je wat het is? Ik lijk op een hondje, ik lijk op Boris. Als die me ziet begint die wild te springen en te blaffen, en hij likt mijn gezicht af als een dolle. Maar als ik wegga, dan doet ie helemaal niks. Dat kan hem niks schelen. Dat slaat ie over!’ Mamma lachte. ‘Dan kan Boris iets van jou leren. Afscheid nemen. Je weet nooit of je er morgen nog bent en ...’ Mamma schrok. Ze had willen zeggen: je weet nooit of oma er morgen nog is... Dat durfde ze niet. Maar oma begreep het wel en nam het over. ‘Juist Olaf. Misschien ben ik er morgen niet meer en dan hebben we elkaar voor nooit meer goeie dag gezegd.’ Toen rende Olaf opnieuw naar oma en viel haar hardhandig om de hals. Olaf was Boris niet!