Ik zal u niet verweesd achterlaten (2011)

Wees zijn zij die hun ouders verloren hebben op een leeftijd dat deze voor hen onmisbaar waren.  Levenslang blijven we steeds iemands kind.  Het heengaan van moeder en vader laat op elke leeftijd een pijn na. 

Jezus beseft deze pijnlijke ervaring bij zijn leerlingen.  Ze waren diep onder de indruk, wanneer zij voor het laatst met hem samen waren.  In zijn afscheidsrede sprak hij zijn meest hoopvolle belofte uit.  Hij zal zijn leerlingen niet alleen achterlaten.  Hij zal voor zijn vrienden blijven zorgen en op een nieuwe wijze bij hen aanwezig zijn.  Ze zullen niet als wezen achterblijven.

Zij mogen Hem niet in lijfelijke aanwezigheid vasthouden.  “Jezus liefhebben betekent niet zich aan zijn zichtbare en grijpbare tegenwoordigheid vastklampen, maar zijn wil opvolgen, zijn geboden onderhouden” (Schott-Missaal).  Jezus zal na zijn heengaan een nieuwe en andere aanwezigheid tot stand brengen.  Deze is dubbel.  Jezus zegt dat hij zelf zal terugkeren en hij zegt eveneens dat hij de Geest zal zenden, de Parakleet, de helper.

 

Verweesd, we gebruiken deze term in figuurlijke zin wanneer we ons verlaten voelen en niet weten waarheen en hoe.  Verweesd zijn is een zeer desolate situatie.  Hoe voelden de christenen zich veertig, vijftig jaar na het heengaan van Jezus?  Hoe was toen de situatie van de gemeente van de geliefde leerling, die misschien het vierde evangelie voor een groot deel heeft geschreven?

Jezus was er niet meer en zijn terugkomst in heerlijkheid was er nog niet.  Verwachtingen die ze gekoesterd hadden waren niet in vervulling gegaan.  Als een dissidente groep Joden waren ze in conflict gekomen met andere Joden.  Deze spanningen waren met de jaren toegenomen tot ze uit de synagoog werden gesloten.  De meeste Joden in Israël hadden Jezus niet aanvaard.  Tot de nieuwe gemeente van christenen behoorden gewezen volgelingen van Johannes de Doper, Samaritanen en Grieken en een aantal Joden.  Hoe moest de gemeente zich handhaven?  (T. Koevoets, De Afscheidsrede, Averbode, p. 85-86).  Ze kwam tot het inzicht dat ze dit best deed door de dynamiek van Jezus te blijven volgen.  Zijn groot en enig gebod was de liefde.  Die had hij voorgeleefd.  Daar mochten ze niet van afwijken.  De kracht van Jezus was de verbondenheid met zijn Vader.  Als zijn volgelingen van Jezus zouden blijven houden en zijn gebod van liefde opvolgen, zouden ze in diezelfde dynamiek betrokken worden.  Dit is  hun gelukt en dat danken zij aan de helper die Jezus hun heeft gezonden.  Zo zal het ook aan ons gebeuren.

We moeten niet met heimwee denken aan de schone tijd dat Jezus met zijn apostelen samen was, noch denken dat alles toen gemakkelijk was.  We moeten niet achterom kijken, maar ontdekken en inzien dat Jezus met ons mee gaat.  Zijn gemeenschap leeft van het woord dat hij gesproken heeft en van de tekenen die hij meegedeeld heeft, vooral de eucharistie en het sacrament van de vergeving. 

Jean Pierre vertelt over Fons Eppink, een vriend missionaris in Kenia.  Deze kreeg bezoek van Jozefien, een arme oma in Luanda.  Ze kwam bij de missionaris om hulp voor de kleine Sophie, een baby, die zij op de markt op een hoop vuil had gevonden.  Jozefien wou dit kindje niet in een weeshuis plaatsen, maar er zelf voor zorgen.  Ze doet denken aan de God van de Bijbel, die zich ontfermt over Israël, een vondeling die Hij met liefde verzorgt (Ez. 16,1-14).

Jean-Pierre kent pater Fons sinds hun Leuvense studietijd.  Zij hebben bijna een halve eeuw geleden in eenzelfde tijdsgeest de stap gezet om Jezus’ stem te volgen.  Fons werd missiepater; Jean-Pierre diocesaan priester.  Hij schrijft: “Bij Fons waren ze toen met velen in zijn congregatie Mill Hill; de missies bloeiden.  Wij waren ook met velen in de eerste opleidingsjaren van het seminarie te Gent.  De Kerk was toen een bloeiend instituut.  Maar er was sleet, de Kerk was aan dringende hervormingen toe.  Johannes XXIII en het concilie in Rome wakkerden het vuur van onze roeping aan.  Wij maakten in die tijd kennis met Taizé en baden echt mee met Roger Schutz en vele jongeren.  Wij hoorden over de ‘Opgestane Christus’ en herkenden in Hem de stem van de Roepende.  Wij hoorden over ‘strijd en aanbidding’, over ‘inzet en gebed’.  En dat laatste hield ons staande doorheen troebele tijden.  Wij wisten echt niet hoe alles verder zou verlopen: de Kerk? de missies? de katholieke scholen? de parochies?  … en wijzelf? … nog het minst van al.  Wij weten het vandaag evenmin.  Maar het is een onwaarschijnlijk verhaal dat al lang had opgehouden te bestaan zonder Spirit, of zoals wij hem ook noemen: Gods heilige Geest.  De heilige Geest is de liefde die wij krijgen.  De heilige Geest is in dat beetje liefde dat we kunnen doorgeven zoals oma Jozefien en Sophie, een vondeling.  De Geest is aanwezig in ons bidden en strijden.  Die Geest, die Spirit, is als een zalf op de vele kwetsuren en wonden die wij allen oplopen.  Een Spirit laat ons dankbaar terugblikken op mooie dagen.  Die Spirit geeft een rustige fierheid en een vast vertrouwen.  Hij helpt ons verder op weg naar het ware, het schone en het goede.  Hij werkt als adem en zuurstof zodat wij het uithouden.  Door Hem kunnen we niet twijfelen dat ieder van ons wèl degelijk van tel is in de ogen van de Eeuwige.”  Bedankt Jean-Pierre om je tekst uit je parochieblad van Waasmunster aan anderen ter beschikking te stellen.

Dank aan Jezus omdat hij bij zijn Vader bidt voor de komst van de Geest.  Marantha, Kom Heer Jezus.  Stuur ons vandaag de Geest van liefde.