6e zondag in de paastijd A - 2011

Zusters en broeders,

In 1936 publiceerde de Duitser literatuurwetenschapper Erich-Herbert Bleich een boek met als titel: Der Bote aus der Fremde. Hij toonde daarin aan dat er in het Duitse naturalistische toneel altijd een vreemdeling optreedt. Die man of vrouw van ergens anders trekt nieuwe inzichten en nieuwe uitdagingen op gang, en speelt daardoor een heel belangrijke rol in het conflict dat in het drama aan de gang is. En op het einde gaat hij weer weg, even gewoon als hij gekomen is. Maar na hem zal het nooit meer zijn zoals vóór hem.

Zo’n man van ergens anders is ook Jezus. Hij ging een eindweegs mee met de apostelen, en speelde een ontzaglijk grote rol in hun leven, want voor Hem lieten ze alles achter waar ze voordien voor geleefd hadden. Hij bracht totaal nieuwe inzichten en nieuwe uitdagingen, en Hij opende nieuwe horizonten, die voordien volledig ondenkbaar waren. En toen vertrok Hij weer, en na Hem zou het nooit meer zijn zoals vóór Hem.

Precies over dat vertrek heeft Hij het in zijn afscheidsrede aan zijn apostelen, tijdens hun laatste avondmaal samen. We hebben er ook vorige week al uit gelezen, en toen kwam vooral de radeloosheid van de apostelen tot uiting. Thomas verwoordde ze perfect: ‘Heer, wij weten niet waar Gij heengaat; hoe moeten wij de weg dan kennen?’Radeloosheid, inderdaad, want: ‘Jezus, zonder U zijn we niets of niemand.’ Daar komt het op neer. Vandaag horen we Jezus’ antwoordt op die radeloosheid. Hij zegt: ‘Fysiek zal Ik niet meer bij u aanwezig zijn, maar ik laat u niet in de steek, Ik keer tot u terug, want op mijn gebed zal mijn Vader u een Helper geven die voor altijd bij u zal blijven: de Geest van waarheid.’ En Hij zegt ook: ‘Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden.’ En die geboden, die kennen we, dat is maar één gebod: Bemin God bovenal en uw naaste gelijk uzelf. Met andere woorden: leven zoals Jezus het ons heeft voorgedaan, en in zijn voetspoor treden. Zijn Geest zal ons daar altijd aan herinneren, want Hij is niet alleen onze helper, maar ook onze herinnering aan Jezus.

Het is gewapend met die Geest van Jezus dat Filippus in de eerste lezing naar de Samaritanen trekt. Vorige week hoorden we dat hij, samen met zes anderen, door de gemeenschap werd gekozen om voor het dienstwerk in te staan. In de praktijk echter verkondigden die zeven net zo goed als de apostelen zelf. Het was trouwens omwille van die verkondiging dat Stefanus, ook een van de zeven, kort daarna op bevel van de hogepriesters gestenigd werd. Hij was de eerste christelijke martelaar. En Filippus werd de eerste missionaris, want hij trok meteen naar de Samaritanen. Hij liep daarmee letterlijk in de voetsporen van Jezus, want ook Hij was dat zogenaamd heidense gebied binnengetrokken om er zijn boodschap van liefde en vrede te verkondigen. Het optreden van Filippus toont meteen aan dat de apostelen de verkondiging zeker niet alleen voor zichzelf wilden voorbehouden. En hij verkondigt Jezus met zoveel gloed dat veel mensen bevrijd werden van onreine geesten, en dat hij tal van lammen en kreupelen genas. Net zoals Jezus dus. Er ontstond daarover grote vreugde in de stad, en velen lieten zich dopen. Er was ook vreugde onder de apostelen om het missionariswerk van Filippus, want ze zonden er Petrus en Johannes om hen de handen op te leggen, met andere woorden, om hen officieel als christen op te nemen.

Zusters en broeders, vandaag krijgen we de belofte van Jezus dat Hij met ons mee op weg blijft gaan. Zijn Geest is altijd bij ons, Hij is onze helper. Hij herinnert ons aan de woorden en de daden van Jezus, en Hij spoort ons aan om die woorden en daden na te volgen. We hoorden ook dat de apostelen er niet eens aan dachten bepaalde aspecten van het geloof, bijvoorbeeld de verkondiging, helemaal naar zich toe te trekken. Integendeel, ze waren gelukkig met elke hulp. Het zou goed zijn mocht de Kerkelijke hiërarchie zich aan hen spiegelen, want de Geest van de Heer rust niet alleen op hen, maar op allen die zijn geboden onderhouden. Geestelijken en leken, mannen en vrouwen. Amen.