Open de deur voor Jezus

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
In de evangelielezing van vandaag vergelijkt Jezus zich­zelf eerst met een goede herder en daarna met de deur waarlangs de schapen de schaapsstal binnengaan. Over Jezus als Goede Herder hebben wij al dikwijls gesproken; daarom willen wij vandaag eens een ogenblik stilstaan bij het beeld van de deur. Het woord deur komt in onze taal in heel veel uitdrukkingen voor. Wij zeggen: dat doet de deur dicht, bij iemand de deur plat lopen, iemand de deur wijzen, de deur voor iemands neus dicht gooien, een stok achter de deur bewaren, en zelfs in de biechtstoel konden wij het deurtje krijgen.

In veel van die uitdrukkingen gaat het over deuren die de toegang versperren. Wij zijn soms ook bang dat wij voor een gesloten deur komen te staan, dat je dus niet welkom zult zijn, dat je niet binnengelaten wordt. Je kunt drem­pelvrees hebben en liever een ander de kastanjes uit het vuur laten halen: ga jij maar eerst, doe jij maar het woord. Jezus is een deur die altijd openstaat, voor Hem hoef je niet bang te zijn, bij Hem mag je in- en uitgaan zoals bij de beste buren. Bij Hem klop je nooit tevergeefs aan.

In onze onherbergzame wereld, waar de deuren uit angst gesloten worden, hebben wij open deuren nodig. Ik houd van een open deur, van een eenvoudige achterdeur, waarlangs je zomaar naar binnen kunt lopen zonder eerst te vragen of je wel gelegen komt. Daarom houd ik ook van grote kerkdeuren, die wagenwijd openstaan en ver­wijzen naar het hemels Jeruzalem, dat zoals Johannes schrijft in de Openbaring (21,12-25) twaalf poorten heeft. Waar die deuren openstaan, hoef je geen drempel­vrees te hebben, daar kun je je op je gemak voelen, daar kun je thuis zijn.

Toen mijn ouders in een nieuw huis gingen wonen, stuur­de mijn moeder mij een huissleutel, zodat ik dag en nacht binnen kon, want het zou toch te erg zijn als ik ooit voor een gesloten deur zou komen te staan. Diezelfde zorg heeft Jezus ook: bij Hem zullen wij nooit voor een geslo­ten deur komen te staan. "Komt allen tot Mij," zegt Hij. Als Jezus zo is, dan zou zijn Kerk ook zo moeten zijn. Dan zou de kerk ook een huis met een open deur moeten zijn, waar iedereen welkom is, waar iedereen, arm en rijk, gezond en ziek, vreemdeling en zwerver, huisgenoot van God kan zijn. De open kerkdeur moet ons zeggen: Je bent hier allemaal welkom, je wordt hier verwacht, je mag hier thuis zijn. De kerk zou iedereen levensruimte moeten geven, waar het goed is om te wonen. De Kerk, die geboren is uit de geopende zijde van Jezus, moet open­staan voor het leed van mensen. Zij mag niemand buitensluiten. De liefde en solidariteit die zij verkondigt, moeten zich uitstrekken tot alle mensen. Ook als je fouten begaan hebt die andere mensen niet kunnen of willen vergeven, dan nog moet de Kerk de genade en de vergeving van Jezus aanbieden. Ook voor mensen die geen uitweg meer zien, die nergens meer een thuis kunnen vinden, mensen die niemand meer binnenlaat, ook voor hen moet de kerkdeur openstaan.

Maar het is een onloochenbaar feit dat de Kerk nog te veel deuren sluit. Daarom heeft ook de Kerk bekering nodig. Maar die Kerk zijn wij: op de allereerste plaats moet ik een open deur zijn...