Ik ben de deur die openstaat

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Het is opvallend dat in deze tien verzen van het evangelie die van­daag worden voorgelezen, vier maal het woord ‘deur' gebruikt wordt. Het loont daarom de moeite eens even stil te staan bij dit eenvoudig en zinvol openbaringswoord: ‘Ik bende deur'. Wat een deur is, weten wij maar al te goed, als wij eens voor een gesloten deur komen te staan, of als een deur wagenwijd voor ons open­gaat om ons te ontvangen of als je de deur voor je neus dichtgesla­gen krijgt. Maar dat iemand van zich zelf zegt: ‘Ik ben de deur', dat is uitzonderlijk. Wij weten dat Jezus graag zulke opmerkelijke uitspraken doet om duidelijk te maken, wie Hij is en wat Hij voor ons wil betekenen. Zo zegt Hij: ‘Ik ben... de goede herder, Ik ben.., het licht, Ik ben... de waarheid, Ik ben... het leven'. Die uitspraken begrijpen wij dan wel, maar wat bedoelt Jezus als Hij zegt: ‘Ik ben de deur'? Een deur verleent toegang, Jezus is de toe­gang tot God, wie langs Hem binnengaat, wordt gered, vindt het leven in volle overvloed. Een deur kan ook een doorgang zijn; zo leidt Jezus ons naar de groene weiden van vrede en geborgenheid. In de eerste lezing wordt ons verteld hoe de mensen na de predi­king van Petrus zich lieten dopen in de naam van Jezus, die voor hen de toegang werd tot een nieuwe levenswijze van gebed en broederlijke saamhorigheid. ‘Op die dag sloten ongeveer driedui­zend mensen zich aan' in het geloof in de verrezen Heer om te delen in zijn verrijzenisbestaan.

Wat dat ‘door Jezus binnengaan' betekent, wordt ons dan duide­lijk gemaakt in de tweede lezing: ‘Gij zijt geroepen om in zijn voetstappen te treden en te gaan leven voor gerechtigheid. Dat kan betekenen geduldig te moeten verdragen dat gij te lijden hebt om uw goede daden'. Door te geloven in Jezus krijgt het leven van een mens een heel andere wending, want wie langs Jezus binnenkomt, die denkt niet meer aan stelen en bedriegen, die uit geen dreige­menten meer en scheldt niet meer terug. De kracht van de Geest van Jezus wordt in zijn leven zichtbaar: barmhartigheid, vrede en liefde. Wie door Jezus binnengaat, komt thuis bij God, hij zal zo leven, dat Hij bij God in- en uit- mag gaan en leven vindt in over­vloed.

Maar Jezus is niet alleen de deur die toegang geeft tot de Vader en tot een leven over de dood heen, Hij verleent ook toegang tot de juiste verhouding met de mensen. Wie leeft in geloof in Jezus, wordt op zijn beurt een open deur voor de mensen. Vader en moe­der kunnen een open deur zijn voor hun kinderen als zij ze weten te begeleiden op hun weg. Waar mensen uit liefde tot Jezus luiste­ren naar het leed van de anderen, waar zij een bemoedigend woord spreken, dat recht uit het hart komt, kunnen zij voor ande­ren een deur van hoop openen. Waar mensen het verhaal van Je­zus verder vertellen en getuigen worden van zijn levenswijze kun­nen zij voor anderen een deur zijn naar een dieper beleefd christe­lijk leven.

Niet alleen ieder van ons moet een open deur zijn, ook de Kerk in haar geheel moet, als zij op Jezus wil gelijken, een open deur zijn, die een beschermende ruimte biedt voor alle mensen die zoeken naar heil. De Kerk moet een herberg zijn, waar ruimte is voor alle mensen, die op de weg van Jeruzalem naar Jericho in de handen van rovers vallen. De Kerk moet vooral bezorgd zijn voor de ver­drukten en kansarmen, zodat niemand wanhopig en vereenzaamd als buitenstaander aan een gesloten deur moet blijven staan.

Daartoe zijn geen heldendaden nodig, het is voldoende dat ieder­een van ons probeert een goed mens te zijn, die vriendelijk en uit­nodigend staat tegenover alle mensen in nood, zodat hij een teken van aanvaarding en bevestiging wordt. Wij hoeven alleen een open hart te hebben zoals Jezus, die zegt: ‘Kom allen tot Mij die belast en beladen zijt, Ik zal u verkwikking schenken'...