Het voorgeschreven evangelie gaat over de goede herder. En daarom heet deze zondag Roepingenzondag. Hij werd in 1964, dat is 44 jaar geleden, door paus Paulus VI ingesteld "als jaarlijkse wereldbiddag voor roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven, tegen de achtergrond van een sterke terugloop van het aantal roepingen tot het gewijde ambt en het Godgewijde leven." In de geest daarvan wordt vandaag in de kerk een brief van de bisschop voorgelezen.
Zolang de R.K. kerk nog zo'n absoluut onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen, kan dat bidden voor roepingen niet van harte gaan. Maar de leiders van de kerk kiezen ervoor daarmee te leven.
"Redt u uit dit ontaarde geslacht." Die woorden staan op het einde van de eerste lezing.
Dit korte zinnetje raakte me diep omdat ik juist de tekst gelezen had van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens die zestig jaar geleden door de Verenigde Naties werd aangenomen. Daarbij werd onder meer overwogen "dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan."
Deze Universele Verklaring zou kunnen worden afgewisseld met het zingen of bidden van het Credo of de twaalf artikelen van het geloof.
Het christendom kent het universele gebod van de naastenliefde. Jezus heeft door zijn manier van leven duidelijk gemaakt wat dat inhoudt. Dat is helemaal in de geest van de Verklaring.
Maar tegelijkertijd kent de kerk nog gezagsverhoudingen, geboden en verboden, onderscheid tussen mannen en vrouwen, onwaarschijnlijke gebeurtenissen, die allemaal krachtens goddelijk gezag moeten worden aangenomen.
Wanneer zouden we aan de bijbel en aan de eerbiedwaardige traditie vol vreemde opvattingen de zelfde eer als aan de geschriften van Homerus, van Vergilius en het Gilgamesh epos?
En wat roepingen betreft: in plaats van missionarissen hebben we Artsen zonder Grenzen, Amnesty International, en andere organisaties, die zonder moeite een vergelijking met de barmhartige Samaritaan kunnen doorstaan. En dichter bij huis: mensen die in de ziekenzorg en de sociale dienst en opvoeding werken. Hun werk is niet minder en anders dan dat van religieuze broeders en zusters van een eeuw geleden. Hun leven is dan wel niet aan God gewijd en toch kennen we er dikwijls de barmhartigheid van de goede herder in terug.
Als we op roepingenzondag ergens voor willen bidden, dan zouden we de mensen die ik juist noemde niet hoeven over te slaan: dat de maatschappij hen waardeert en creatieve oplossingen helpt zoeken voor nieuwe en onverwachte problemen.
En dat de twee handen die de wereldbol vasthouden nooit moe en uitgeput raken als zij de wereld vasthouden en dat zij gezegend mogen worden met een waardig loon en diepe vreugde, die soms van een andere wereld lijkt te komen.