3e zondag in de paastijd A - 2014

Zusters en broeders,

Het verhaal van twee leerlingen van Jezus op weg van Jeruzalem naar Emmaüs, dat is wat het evangelie ons vandaag vertelt. Ze zijn zo ontgoocheld over wat er met Jezus gebeurd is dat ze Hem niet eens herkennen wanneer Hij met hen meegaat. En dat is  merkwaardig, want het zijn leerlingen van Hem. Maar tegelijk is het ook herkenbaar, want wellicht herkennen ook wij Jezus dikwijls niet. Of misschien willen we Hem niet herkennen, want Hem wél herkennen roept plichten op. De plicht om te proberen leven naar zijn woorden en daden. Om hulp te bieden aan mensen in nood. Om onze medemensen te steunen waar we dat kunnen. Om mensen te waarderen. Om te vergeven en te vergeven. Of misschien kunnen of willen we Hem niet altijd herkennen omdat we verblind zijn door ons eigenbelang. Omdat we liever aan ons bezit en aan ons gemak denken dan aan Hem.  Of wie weet, misschien zijn we, net zoals die twee leerlingen, soms zozeer met onze eigen ontgoocheling bezig dat we Hem niet eens kúnnen herkennen. Misschien stellen we dan zelfs dezelfde vragen als zij: ‘Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?’ vragen zij verontwaardigd. En bij ons klinkt dat dan als ‘Weet jij dat echt niet? Dat weet toch iedereen? En jij niet? Dat kan niet. Dat is omdat je het niet wilt weten.’ En die ‘dat’ kan van alles zijn, maar het is alleszins iets wat ons treft. Zoals het de Emmaüsgangers trof wat er met Jezus was gebeurd.

Maar ook in andere opzichten zijn we met hen te vergelijken. ‘Wij leefden in de hoop dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen’, zeggen ze, maar daar is dus niets van gekomen. En Israël verlossen, dat was voor hen niets anders dan Israël bevrijden van de Romeinse bezetter. Want zo zagen zij de Messias: als de man die van Israël een vrij en zelfstandig rijk zou maken, groot, en natuurlijk ook heel rijk. Dat is hun wens bij de Messias van God. En dat beklemtonen van de eigen wensen, ja, dat kennen we. Ook wij willen vaak dat God doet wat wij willen. We bidden ervoor, we steken er kaarsen voor aan, we gaan er op bedevaart voor, en dan gebeurt nog niet wat wij willen. We zijn daardoor ontgoocheld, en we vragen aan God waarom Hij niet naar ons wil luisteren en waarom we niet krijgen wat we vragen.

Maar die twee leerlingen van Jezus zijn niet alleen herkenbaar, ze zijn ook een na te volgen voorbeeld. Wanneer ze in Emmaüs aankomen, dringen ze oprecht aan: ‘Blijf bij ons, Heer, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.’ Dat zouden ook onze woorden mogen zijn. ‘Blijf bij ons, Heer, wanneer de avond over ons valt, wanneer de duisternis van ziekte en dood van familie en vrienden ons leven onleefbaar maakt. Blijf bij ons wanneer we getroffen worden door machteloosheid, door armoede, door ongeluk, door onvrede. Blijf bij ons wanneer we ons leven niet meer aankunnen. Blijf bij ons wanneer we moedeloos worden omdat uw Kerk lijkt leeg te lopen. En blijf ook bij ons wanneer wijzelf voor ongemak en onvrede van anderen zorgen. Blijf bij ons wanneer we hard zijn, wanneer we niet kunnen of willen vergeven en niet naar uw woorden en daden kunnen of willen leven. Blijf ook dan bij ons, Heer, want Gij weet hoezeer we u nodig hebben. En alleen Gij weet dat.’

Zusters en broeders, zijn wij vreemdelingen die niet weten of niet willen dat Jezus met ons meegaat? Of zijn we zoals de Emmaüsgangers die Jezus vragen bij hen te blijven, ‘want het wordt al avond en de dag loopt ten einde’? Moge dat onze weg zijn. De weg die we gaan in Jezus’ naam. Amen.