Medeërfgenamen van Christus

Twintig jaar lang was dezelfde pastoor op de parochie en predikte elke zondag.  Hij was een stille man.  Van hem hebben de parochianen in ieder geval onthouden dat hij veel van de missies hield en dat hij er voor zorgde dat zijn parochie op missiezondag tot de meest vrijgevige  van het bisdom behoorde.  Of hij dezelfde energie gebruikte voor de collecte van de Afrikadag weet ik niet.  Maar wegens het feit dat hij zijn broer scheutist als missionaris in Kongo werkte, denk ik dat hij ook dan een sterke aanbeveling gaf aan de collecte voor de kerk in Centraal Afrika.  

Wat ik verder onthouden heb is zijn jaarlijks terugkerend sermoen op Driekoningen.  Hij zei telkens dat Driekoningen ons aller feest was.  Kerstdag is het feest van de Joden, vertegenwoordigd bij de kribbe door de herders.  Driekoningen is het kerstfeest van de andere volkeren, vertegenwoordigd door de magiërs in de stal van Betlehem.  

Dit was inderdaad het opzet van Matteüs met zijn verhaal over de magiërs uit het Oosten, die geleid door de ster de nieuwgeboren koning der Joden zochten om hem te huldigen.  Matteüs stelt duidelijk dat Jezus de messiaskoning is voor de ganse wereld is en dat Jezus ook de heidenen naar het heil wil leiden (A. Adam, Das Kirchenjahr mitfeiern).  Matteüs is bij dit portret van de aanbidding van Jezus door de wijzen beïnvloed door het visioen van Jesaja.  Matteüs toont gaarne aan dat Jezus de voorspellingen van het eerste verbond vervult.  De profeet Jesaja ziet alle volkeren in stoet optrekken naar Sion.  Jeruzalem is het centrum.  Alle volkeren trekken erheen.  Jesaja - en Matteüs in een bepaalde mate - denken centripetaal.  Jeruzalem en het nabijgelegen Betlehem maken het centrum uit.  Nadien verandert het en vertrekt de verkondiging over Jezus, de Verrezene, vanuit Jeruzalem naar de ganse wereld toe.  De magiërs bleven niet bij de  kribbe, maar zijn langs een andere weg naar hun land teruggekeerd. 

"De openbaring van de Heer is de openbaring van Jezus als Messias van Israël, Zoon van God en Verlosser van de wereld.  Met het doopsel van Jezus in de Jordaan en de bruiloft van Kana viert dit feest de aanbidding van Jezus door de "wijzen" die uit het oosten kwamen (Mt. 2,1).  In deze "wijzen", vertegenwoordigers van de omringende heidense godsdiensten, ziet het evangelie de eerstelingen van de volken die de blijde boodschap van het heil door de menswording aannemen.  De komst van de wijzen naar Jeruzalem om "hulde te brengen aan de koning van de joden" (Mt. 2,2) laat zien dat zij in Israël, in het Messiaanse licht van de ster van David, Hem zoeken die de koning van de volken zal zijn.  Hun komst betekent dat de heidenen Jezus alleen maar kunnen ontdekken en aanbidden als Zoon van God en Heiland van de wereld, als zij zich keren naar de Joden en van hen de Messiaanse belofte, zoals die vervat ligt in het Oude Testament, ontvangen.  De openbaring van de Heer toont dat alle heidenen hun intrede doen in de familie der aartsvaders en de Israelitica dignitas verwerven" (KKK, 528). 

De liturgie van het feest van de Openbaring gebruikt een tekst uit de brief aan  de Efesiërs om de universaliteit van het heil te verkondigen.  De schrijver van deze brief zou niet de apostel Paulus zijn, maar iemand die het gedachtengoed van Paulus door en door kent.  De brief is geschreven naar het einde van de eerste eeuw, waarbij de kerk al een universeel gelaat had en de plaats van de heidenen aanzienlijk was.  Het pionierswerk van Paulus onder de heidenen was vruchtbaar geweest.  Paulus had ingezien dat de heidenen mochten delen in de beloften aan Abraham gedaan en dat zij tot het Godsvolk behoorden.  Paulus had  in zijn brief aan de Romeinen geschreven: "De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn.  En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God.  Samen met Christus zijn wij erfenamen; wij moeten delen  in zijn lijden om met hem te  kunnen delen in Gods luister" (Rom. 8,16-17).  Hij had hetzelfde gezegd tot de Galaten: "Omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abrahm, erfgenamen volgens de belofte" (Gal. 3,29).  Of nog: "U bent nu geen slaven meer, u bent kinderen van God en als kinderen bent u erfgenamen, door de wil van God" (Gal. 4,7). 

Efese was een welvarende wereldstad, waar Paulus drie jaar verbleef en waar hij een christengemeenschap heeft gevormd.  "De kerk van Efese zou draagster worden van Paulinische, Johanneïsche en Mariale tradities en een kapitale plaats innemen in het christendom van de late Oudheid" (P. Schmidt, Inleiding tot Paulus, p. 143).  Of er ten tijde van Paulus en bij het schrijven van deze brief contacten waren tussen Paulinische en Johanneïsche christenen weten we niet.  De anonieme christen die de auteur is van de Efesiërsbrief en die zich rond de jaren 85-90 richt tot een groep Klein-Aziatische gemeenten schrijft met overtuiging dat ook "de heidenen delen door Christus Jezus in de erfenis en deel uit maken van hetzelfde lichaam en ook deel hebben aan de belofte, op grond van het evangelie" (Ef. 3,6). 

Matteüs brengt de vertegenwoordigers van de heidenen bijeen rondom Jezus in de kerstkribbe.  Veel later zal hij alle volkeren samenbrengen wanneer de Mensenzoon hen de vraag zal stellen of zij hem hebben erkend en gediend in een van de onaanzienlijksten van zijn broeders en zusters (Mt. 25,40).

Wij mogen ons identifieren met de wijzen en zingen met hen bij het alleluiavers en tijdens de communie: "Wij hebben zijn ster gezien en zijn gekomen om hem te aanbidden."