Iedereen moet er doorheen (2008)

Inleiding

Jesaja had zo zijn dromen.
Het volk schoot te kort, liet het  erbij zitten.
Het was nodig dat er nieuwe dienstbaarheid kwam
en dan droomt hij over een nieuw soort mens, een trouwe dienaar.
We hoorden Jesaja vertellen wat God van die knecht verwacht:
'mijn geest -zegt de Heer- zal ik over hem uitstorten,
gerechtigheid laat Hij stralen onder de volken.
Hij roept niet en schreeuwt niet en maakt geen drukte op straat.
Het geknakte riet zal Hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven,
door waarachtig te zijn en trouw zal Hij de gerechtigheid doen stralen.
Onvermoeid en ongebroken zal Hij op aarde
door waarachtig te zijn en trouw de gerechtigheid  laten stralen en zegevieren.
Tot in de verste landen zullen ze luisteren naar Zijn leer.'
Dat zal gebeuren vertelt Matteus rond de nieuw Messias
aan het water zal het geschieden van de Jordaan.

Water… daarover zal het gaan, erin en er weer uit.
Ondergaan en weer opstaan, steeds opnieuw  tot dienstbaarheid.

Overweging

In die tijd trokken velen uit het hele land naar het water
om zich daarin onder te dompelen;
het water was 8 graden en de buitentemperatuur slechts drie.
Dit geschiedde niet zo’n tweeduizend jaar geleden in Galilea,
maar twaalf dagen geleden in ons eigen land.
Nieuwjaarsduik noemen ze dat.
Elk jaar doen er meer en meer mee,
duizenden mensen gaan op de eerste dag van het nieuwe jaar
kopje onder in de Noordzee, maar ook in vele andere wateren in het land.

Onwillekeurig kwamen er beelden van dit evenement bij me boven
toen ik het evangelie van deze zondag las. Johannes
die daar doopt in de woestijn heel Jeruzalem,
Judea en de omgeving van de Jordaan loopt uit om daar bij te zijn.

Natuurlijk zijn er duidelijke verschillen.
Johannes roept de mensen stevige taal toe:
“Addergebroed! Waar denken jullie wel dat je mee bezig bent?”
terwijl de Nieuwjaarsduikers werden ontvangen
met een vrolijke must en een kop erwtensoep.
Natuurlijk zijn er meer verschillen dan overeenkomsten.

Maar toch. Waar komt die drang vandaan
om op de eerste dag van het nieuwe jaar,
terwijl het er vele te koud voor is, in de zee te plonsen?
Ik ben er nooit bij geweest, laat staan dat ik ooit zelf zo’n duik heb gewaagd,
dus eigenlijk kan ik het waarschijnlijk niet zo goed beoordelen.
Maar ik denk toch, hoewel het toch pretentieloos is,
en aangekondigd wordt als gewoon iets leuks,
dat je kunt doen op nieuwjaarsdag,
dat er misschien toch wel iets meer mee kan spelen.
Dat het aansluit bij de behoefte van mensen
om een nieuwe start te maken, een schone lei,
nieuwe moed en nieuwe kansen.
Het oude van je afspoelen, iets nieuws beginnen
als er weer een nieuw jaar voor je ligt.
Dat het koud is en zelfs pijn doet, is wezenlijk.
Voor een nieuw begin moet je wat overhebben.

In elk geval zie ik wel een opvallende overeenkomst:
zowel die koude duik in het water,
als de doop van Johannes in de woestijn,
zorgen voor een grote toeloop van mensen. Wat zoeken ze?
De Nieuwjaarsduik laten we nu maar voor wat het is,
om ons te kunnen richten op het evangelie.
Vele mensen trekken in die dagen naar de Jordaan,
waar die ruige, zonderlinge man bij de Jordaan
hen opwacht met stevige taal.
“Wie van jullie leeft in de waan veilig te zijn
voor het komende oordeel?
Breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn.
Denk niet bij jezelf: wij zitten wel goed, wij zijn gelovigen van oudsher,
we hebben Abraham als vader. Ik doop jullie ten teken van nieuw leven!”

Midden tussen de strenge woorden duikt die term op: nieuw leven.
Dat is blijkbaar wat mensen zoeken, wat hen naar Johannes voert.
Nieuw leven, een nieuw begin.
Bekering, afkeer van wat er niet goed was, ommekeer.
De mensen staan er open voor.
Vol goede voornemens staan ze bij Johannes.
En dan komt plotseling Jezus er aan.
Ook hij komt naar de Jordaan om naar Johannes gedoopt te worden.
Het roept verwarring op, niet in de laatste plaats bij Johannes zelf.
Kort daarvoor had hij nog geroepen:
‘Na mij komt hij die in staat is tot veel meer dan ik,
ik ben niet eens waardig om zijn sandalen voor hem te dragen.’
En nu staat die mens ineens voor zijn neus
en vraagt om door hem te worden gedoopt.
En Johannes roept uit: ik zou door u gedoopt moeten worden
in plaats van andersom!
Het is een tegenwerping van Johannes
die we hem alleen in het evangelie van Mattheüs horen maken
en die ons begrijpelijk in de oren klinkt.

Wat valt er te dopen aan deze mens,
die al bij zijn geboorte Immanuël werd genoemd,
God met ons. Is Hij niet al vanaf zijn geboorte Gods eigen zoon?
Hij hoort al bij God, Hij is de mens die het volk zal bevrijden,
in Hem is toch niets dat zou vragen om bekering?
Maar toch. Als Johannes zich verzet tegen het dopen van Jezus,
is het net alsof hij de inhoud en de kracht van het doopsel
dat hij toedient zelf niet helemaal begrijpt.
In feite is er geen mens die kan zonder het doopsel,
zonder een doorgang door het water, die nieuw begin mogelijk maakt.

Het volk Israël ging zonder uitzondering door het water van de Rietzee,
bij de vlucht uit Egypte. Weg uit het slavenbestaan,
door het water van de dood naar een nieuw begin van vrijheid, van leven.
Dat is het wezen van het doopsel. Nieuw leven, door de dood heen.
Een mens heeft het nodig, doopsel te ondergaan,
meermalen in het leven eigenlijk.
Want een realiteit van het leven is dat dood er onderdeel van uit maakt.
Dat we soms doodlopende wegen inslaan,
die niet heilzaam zijn voor onszelf of voor anderen.
Maar ook dat we dood tegenkomen op manieren
waar we niets aan kunnen doen.
Dood van geliefden, afscheid van wat ons dierbaar was,
afscheid van werk dat we graag deden,
afscheid van lichamelijke kracht en mogelijkheden, van gezondheid,
afscheid van een periode in ons leven.
De dood komt niet enkel op het einde,
maar maakt deel uit van ons leven.
Mensen raken erdoor geknakt,
zoals het geknakte riet waarvan sprake was in de eerste lezing.
Het geknakte riet, dat door de gezondene van Godswege
niet zal worden gebroken, de kwijnende vlam,
die uit de wind zal worden gehouden, opdat hij weer zal kunnen opleven.

Mensen staan vaak in het leven voor de opgave
om weer op te staan uit de dood.
Om wegen verder te zoeken,
op een nieuwe manier weer toekomst te vinden, opnieuw te gaan leven.
En Jezus is daar geen uitzondering op,
juist dat maakt hem voor ons zo dierbaar,
dat Hij mens is zoals wij.
Ook Hij kwam niet zonder kleerscheuren door het leven,
zijn levensweg leidde naar het kruis,
waar hij geknakt maar niet gebroken de dood overwon.
Zo ging hij ons voor in dit leven waarin we de dood moeten overwinnen.
Waarin mensen zo vaak toch diep moeten gaan
om weer, voor hun eigen gevoel, uit een dal te klimmen.
Daarvoor zijn we ooit eens gedoopt,
toen de mensen die ons vasthielden voor ons baden
dat we in ons leven steeds de goede krachten zouden vinden.
Dat doopsel waarbij onze naam werd geroepen
en in een adem met de naam van God, opdat God bij ons zou blijven,
ons hele leven lang.

Dit doopsel is niet iets uit het verleden,
niet zomaar een begin van lidmaatschap van de kerk,
maar iets dat we vaker nodig hebben.
De kracht om herboren te worden, nieuw begin te vinden.
En om mensen te kunnen worden in die anderen helpen
om door dood heen nieuw leven te vinden.
Mensen die, zoals Jezus, het geknakte riet niet breken
en de kwijnende vlam doven, maar mensen helpen
weer op te staan en verder te gaan.

Toen Jezus gedoopt was, opende de hemel zich
en Johannes zag hoe de Geest als een duif op Jezus neerdaalde.
Begeesterd ging hij vanaf die tijd zijn weg,
en wij zijn als gedoopten geroepen om in zijn spoor te gaan.

Wij wensen u hier veel moed en volharding toe,
uw pastores.