Doop van de Heer (2002)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden
Als een kind of volwassene gedoopt wordt, zeggen we daarmee: jij hoort nu bij de gemeenschap van mensen die in Jezus geloven, en die in zijn geest met elkaar willen leven.
Toen Jezus zich liet dopen door Johannes, zei hij daarmee: ik hoor bij de gemeenschap van zondige mensen die een nieuw begin willen maken.
Zo gezegd klinkt dat toch even vreemd, maar dat was wel de betekenis van het doopsel van Johannes. Dat kun je niet vergelijken met het doopsel zoals wij dat kennen in de christelijke traditie. Johannes riep de mensen op tot bekering, tot besef van eigen zondigheid, en wie door hem gedoopt werd, zei daarmee: ik wil een nieuw begin maken.
Voor velen was dat een heel zinvol gebaar. Maar we gaan er altijd van uit dat er in Jezus geen zondigheid te vinden is, dus is het vreemd dat hij zich laat dopen. Johannes de Doper vond dat blijkbaar ook. Hij zei niet voor niets: dit kan toch niet: u moet niet door mij gedoopt worden maar ik door u.
Dat Jezus zich toch liet dopen heeft natuurlijk een bepaalde betekenis, en wel deze: voor Jezus was het dus geen doopsel van bekering, maar wel een soort solidariteitsverklaring met de kleine, zwakke, soms zondige medemens. Hij wilde met dit teken duidelijk maken: ik maak ook deel uit van die mensengemeenschap waarin soms zoveel mis gaat, waarin mensen verkeerd handelen, ik voel me daar niet boven verheven. Ik sta er midden in.
En het tweede element is dat hij met dit gebaar heel duidelijk maakt, is: met al die gewone onvolmaakte mensen wil ik een nieuw begin maken. En in zijn verdere leven heeft hij zijn verbondenheid met de medemens, met de zieke en gezonde, met de goede en de slechte, heel duidelijk inhoud gegeven. Hij ging niemand uit de weg.
Hij verzamelde een groepje mensen om zich heen en zei tegen hen: Kom en volg mij, ik maak mensenvissers van u. Dat was ook een vorm van een nieuw begin maken. Hij ging naar zieken toe, blinden, doven, lammen, melaatsen: kom, maak een nieuw begin, sta op en wandel. En tegen de zondaars zei hij: Sta op, uw zonden zijn u vergeven. Zondig niet meer, maak een nieuw begin.
Dat is de Jezus die uit de evangelieverhalen naar voren komt, En die Jezus wil zichtbaar en tastbaar voortleven in de kerk, in de gemeenschap van mensen die zijn weg willen gaan. Door ons doopsel horen wij bij deze gemeenschap en hebben ook wij de opdracht om solidair te zijn met de kleinen en zwakken, maar ook met de mindere goden in de samenleving, met daklozen, drugsverslaafden, kleine en grote criminelen. En wij hebben ook de opdracht om waar nodig en waar mogelijk anderen te helpen een nieuw begin te maken.
Deze opdracht is niet zo eenvoudig en wordt gemakshalve nogal eens vergeten. Vroeger voelden we ons als katholieken ver verheven boven de heidenen, maar ook boven protestanten en andere ketters.
De manier waarop er soms over het doopsel gesproken werd, suggereerde dat de gedoopte mens behoorde tot de wereld van God, een wereld die ver uitstijgt boven ons aardse bestaan vol onheil en kwaad.
En ook nu hebben we heel gauw te neiging om ons te vergelijken met anderen en dan te denken dat we toch wat beter zijn dan die anderen. Wij doen onze christelijke plichten, en kijken neer op dat mindere volk dat zich schuldig maakte aan criminele handelingen. En de manier waarop wij spreken over de mindere goden in de samenleving, verraadt toch vaak een houding van zelfvoldaanheid, soms van echte arrogantie, soms van vooroordelen, soms riekt het naar discriminatie.
Maar welbeschouwd getuigt dat van een onchristelijke mentaliteit, een manier van doen en denken die in de kerk van Jezus eigenlijk niet voorkomen mag.
In Jezus' visie staan wij, als leden van zijn Kerk, midden in die wereld met al zijn kwaad, niet om er aan mee te doen maar om het kwaad in onszelf en in mensen om ons heen om te buigen naar het goede, om zo telkens weer een nieuw begin te maken.
Alleen als we ons solidair voelen met de medemens, wie of wat hij of zij ook is, alleen dan zijn we trouw aan ons doopsel. Dan gaat ook het slotwoord van het evangelie voor ons op: Jij bent mijn zoon, mijn dochter, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb.