Rechtzetten

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Matteüs laat ons geen ogenblik in het onzekere. Hij weet pre­cies wat hij wil vertellen. Hij maakt dat duidelijk in de eerste woorden die we hier Jezus horen spreken. Woorden die een agenda aankon­digen, een leef- en werkprogramma. Als Johannes aarzelt om hem te dopen, zegt Jezus: ‘Laat het nu zijn, want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.' Het is interessant om die eerste woorden van Jezus bij Matteüs te vergelij­ken met die van de andere evange­listen. In Johannes zijn die eerste woorden: ‘Wat zoeken jullie eigen­lijk?' Bij Marcus: ‘De tijd is gekomen.' En bij Lucas: ‘Waarom zochten jullie me, wist je niet dat ik in mijn vaders huis thuishoor?' Wat Jezus tegen Johannes zegt is eigenlijk de consequen­tie van alles wat Matteüs al over Jezus vertelde. Wij lezers hadden die gevolgtrekking al kunnen maken. De joods-christelijke lezers voor wie Matteüs schreef konden dat zeker. Matteüs introduceert Jezus tegen zijn historische en profetische achtergrond. De geslachtsboom die hem langs een koninklijke lijn terugverbindt met de eerste joodse voorou­der Abra­ham zelf. De aankondiging aan Maria in de woorden van Jesaja's voorzegging: ‘Zijn naam zal zijn God met ons.' De engelen en de herders, de wijzen en de consternatie bij de leidende klassen in Jeruzalem, de vlucht naar Egypte, de kindermoord, het terugge­roepen worden uit Egypte. Het zijn allemaal vervuilingen van oude profetieën. Bij het lezen of horen van die twee eerste hoofdstukken worden er allerhande oeroude herinneringen en verlangens opge­roepen.

Matteüs zegt daarbij niets over het leven van Jezus in Nazaret. Maar dat wordt goedgemaakt door de verschijning van de mysteri­euze profeet Johannes, die - zoals een koor in een klassiek drama - weet en aankondigt wat er zal gaan gebeuren als de hoofdacteur speelt zoals het hoort. Matteüs gebruikt twee hoofdstukken om die achtergrond te schilderen, en om ons op deze climax voor te berei­den. We hebben nog steeds niets van Jezus zelf gehoord. Wel van zijn vader en moeder, en van allerhande figuren rondom hem. Die beschrijvingen hebben alle goede verstaanders natuurlijk wel een vermoeden gegeven van wie hij is. Maar weet hij het zelf?

Johannes betwijfelt dat als hij Jezus op zich af ziet komen, en aan ziet sluiten bij de rij van hen die gedoopt willen worden. Hij is er bijna zeker van dat Jezus zijn rol niet kent als Jezus even later voor hem in het water stapt. Het dreigt allemaal verkeerd te gaan. Als een soort van souffleur zegt hij dat dan ook: ‘Ik heb uw doopsel nodig en jij komt tot mij?' En dan spreekt Jezus voor de allereerste keer bij Matteüs. Dat is zonder meer een kapitaal gebeuren. In de allereerste zin die we van hem horen, draait alles om een woord dat alleen Matteüs hem in de mond legt: dikaiosunê. Een woord dat in de ver­taling die wij gebruiken wat wegvalt. Jezus zegt tegen Johannes: ‘Laat dat nu zo, want dit is wat rechtvaardigheid van ons vraagt.' Vanaf het allereerste begin gaat het om die ‘gerechtigheid'.

Hij stapt het water in vanwege het recht dat er gedaan moet worden; vanwege de reorganisatie die een plaats in deze wereld moet vinden. Voor Matteüs is de term rechtvaardigheid of gerechtig­heid, een sleutelwoord. Hij gebruikt het maar liefst zeven keer, waar­van vijf keer in de bergrede. En het is niet eens het enige woord dat Matteüs gebruikt om het over die rechtvaardigheid te hebben. Er moet ook nog een ander profetenwoord door Matteüs' hoofd gegaan zijn terwijl hij dit alles noteert. Jesaja had eens van de dienaar van Jahweh geschreven: ‘Als je door het water gaat zal ik met je zijn' (Jes. 43,2). De rest van dit verhaal vertelt hoe ook die voorzegging vervuld wordt. Als Jezus de Jordaan uit stapt, gaat de hemel open, en wordt er door iedereen in de buurt een stem gehoord: ‘Dit is mijn zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb.'

Na die goddelijke bevestiging is er geen twijfel meer mogelijk aan de rol die Jezus in deze wereld zal gaan spelen. Dat is van nu af duidelijk. Daar hebben we niemand anders meer voor nodig. Ook Johannes niet. En voor ieder wie zijn volgeling wil zijn, moet het na dit alles ook wel duidelijk zijn waar het eigenlijk om gaat. Lees er an­ders die eerste lezing van Jesaja maar op na.