Doopsel van Christus A - 2020

Zusters en broeders,

Het doopsel van Jezus: het is een merkwaardig verhaal. Want waarom laat Jezus zich dopen? Johannes trad op in de woestijn van Judea en verkondigde aan zijn toehoorders: ‘Bekeer u, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ Velen kwamen naar hem toe en lieten zich inderdaad dopen in de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.

Zich bekeren, daar gaat het dus over. Dat is de diepere betekenis van het doopsel. En zich bekeren betekent: tot inkeer komen, komen tot geloof in de God van liefde, vrede en gerechtigheid. Niet in goden van rijkdom en bezit, van egoïsme, haat, onderdrukking en geweld. Alleen maar geloven in de God van liefde, vrede en gerechtigheid, en leven naar de enige wet die God zelf is: liefde, vrede en gerechtigheid.

En hier komen we terug bij de vraag: Waarom liet Jezus zich dopen? Dat was toch niet nodig? Hij moest zich immers niet bekeren, Hij moest niet komen tot geloof in de God van liefde, vrede en gerechtigheid, want Hij was gezonden door die God om die enige wet te verkondigen en vóór te leven. En Hij was niet zomaar iemand, nee, Hij was de Zoon van God. Hij is God.

Zijn doopsel is voor ons dus een voorbeeld, en de basis van ons geloof. Net voor zijn hemelvaart zegt Jezus tegen zijn apostelen: ‘Ga op weg en maak alle volkeren tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik u opgedragen heb.’ En wat heeft Jezus hen opgedragen? Dat ze zijn enige wet moeten verkondigen, en die wet is: ‘Bemin God bovenal, en bemin uw naaste gelijk uzelf.’

Het verhaal van Jezus’ doopsel is dus ook ons verhaal, want allen zijn we, net als Hij, gedoopt. Dat is dus veel meer dan een familiefeestje en een opname in de Kerkgemeenschap, maar verbindt ons ertoe de weg te gaan die Jezus is gegaan, en dat is de weg van God, niets anders dan de weg van God.

Zoals altijd moeten wij ons dus afvragen waar wij staan in het verhaal. Johannes wil Jezus niet dopen, want hij weet dat Jezus zich niet moet bekeren. Hij gaat immers altijd de weg van zijn goddelijke Vader. Maar Jezus laat zich wel dopen. Hij doet dus iets wat Hij helemaal niet moet doen. Doen wij dat ook? Doen wij ook dingen die we niet moeten doen, of waarvan we denken dat we ze niet moeten doen? Vergeten we misschien soms al te graag dat het om dingen kan gaan die niet voor onszelf, maar wel voor andere mensen belangrijk zijn? Mensen die moeten geholpen worden bijvoorbeeld, of mensen die voor alles alleen staan. Mensen die hulp, aandacht, een luisterend oor, liefde nodig hebben. Allemaal dingen die ons misschien niet nodig lijken, maar andere mensen wel. Het zou dus goed zijn als we ons ook hier aan Jezus spiegelen. Hij moet zich immers helemaal niet laten dopen, maar doet het toch.

En er is nog iets waarmee Jezus ons een weg aanwijst. Johannes had Jezus aangekondigd als: ‘Na mij komt Hij die sterker is dan ik. Ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken.’ Met andere woorden: Johannes is er zich van bewust dat Jezus ver boven hem staat. Het is dus heel begrijpelijk dat hij Hem niet wil dopen, want hij weet zich veruit de mindere. Maar Jezus zegt: ‘Laat het nu zijn.’ Met andere woorden: ‘Johannes, je moet me niet zien als je meerdere.’  Ook hierin zit een weg die Jezus ons aanwijst. ‘Doe niet alsof andere mensen minder zijn dan jij. Kijk niet neer op je medemensen. Barst niet van hoogmoed en zelfoverschatting, maar wees nederig, en zie al je medemensen als je gelijken, want allen zijn jullie kinderen van de Vader, allen zijn jullie broers en zussen.’

Zusters en broeders, het verhaal van Jezus’ doopsel is ook ons verhaal. Allen zijn we gedoopt, en dus zegt God de Heer ook tegen ons dat we zijn vreugde zijn. Dat houdt in dat Hij verwacht dat we leven zoals Jezus, en dat we de weg gaan die Jezus aan zijn apostelen heeft opgedragen: de weg van liefde, vrede en gerechtigheid. Laten we dus nooit ophouden ons te gedragen als waardig gedoopte kinderen van onze goddelijke Vader. Dan zouden we ook beantwoorden aan het beeld van Jesaja in de eerste lezing: we zouden ons eigen groot gelijk niet uitschreeuwen en het geknakte riet van mensen in nood niet breken, maar ons onvermoeid inzetten voor gerechtigheid.

Wat zou de wereld er goed uitzien als alle mensen dat deden. Amen.