Doop van de Heer A - 2008

Het doopsel, de erfzonde, het voorgeborchte.

Zusters en broeders, eeuwenlang waren deze drie begrippen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het doopsel bevrijdde ons van de erfzonde en van alle andere zonden en zondestraffen. Maar het was ook noodzakelijk om in de hemel te kunnen komen. Kinderen die stierven vooraleer ze gedoopt waren, kwamen daarom terecht in het zogenaamde voorgeborchte. Dat was een plaats waar ze wel konden genieten van de opperste gelukzaligheid, maar waar ze God niet konden aanschouwen. Ze zaten bij manier van spreken in de wachtkamer van de hemel. Het idee van dat voorgeborchte kwam van Sint-Augustinus. In de zesde eeuw werd het door paus Gregorius I aan de leer van de Kerk toegevoegd, maar een echt geloofspunt werd het nooit. Toch werd het vrij algemeen aanvaard, met dikwijls heel veel menselijk leed tot gevolg: in enkele katholieke landen werden ongedoopt gestorven of doodgeboren kinderen soms anoniem in niet-gewijde grond te begraven, zonder uitvaartdienst. Ze kregen ook geen steen of kruisje op hun graf. Ze werden gedumpt, als waren ze een schande. Het moet gezegd dat de Kerk in die landen vanaf midden vorige eeuw bij herhaling haar spijt heeft uitgedrukt voor zulke hardheid, zeg maar: voor zulk verregaand onchristelijk gedrag.

Sinds april vorig jaar is het voorgeborchte officieel afgeschaft. Theologen van het Vaticaan zijn het erover eens dat het niet bestaat, en dat baby'tjes die overleden zijn zonder gedoopt te zijn direct naar de hemel gaan. De rol van paus Benedictus mag daarbij niet onderschat worden: al in 1984, toen hij nog kardinaal Ratzinger was en voorzitter van de theologische commissie, verklaarde hij zich voorstander van de afschaffing van het idee van het voorgeborchte.

Zusters en broeders, die afschaffing is een bijzonder heuglijk feit. Hoe zou immers de bestraffing van onschuldige kinderen kunnen gerijmd worden met Gods barmhartigheid en met Jezus' beschermende liefde voor kinderen. Op zeker ogenblik vragen de mensen aan Jezus dat Hij hun kinderen de handen zou opleggen en hen zou zegenen. De leerlingen vinden evenwel dat het genoeg geweest is voor vandaag, maar Jezus wijst hen terecht en zegt: 'Laat de kinderen ongemoeid, belet hen niet bij Mij te komen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.'

De afschaffing van het voorgeborchte en de uitdrukkelijke bevestiging dat ongedoopt gestorven baby'tjes direct naar de hemel gaan, heeft ook tot gevolg dat de idee achter de erfzonde verlaten wordt. Je weet wel, de staat van zonde waarin alle mensenkinderen geboren werden omdat Adam en Eva domweg van de verboden vrucht gegeten hadden. Hun zonde ging over op al zijn nakomelingen, met alle kwalijke gevolgen van dien: mensenkinderen waren bij hun geboorte beroofd van de heiligmakende genade, de vriendschap van God en het recht op de hemel. Ook onwetendheid, ondeugd, lijden en dood waren hun deel, allemaal door de schuld van Adam en Eva.

Ik denk dat een dergelijke visie helemaal niet strookte met wat Jezus ons geleerd en ook voorgeleefd heeft. 'God is liefde', zegt Hij, en ook: 'God is onze Vader'. Welnu, hoe zou God die liefde is, hoe zou God die Vader is alle mensenkinderen kunnen straffen omdat een verre voorouder over de streep is gegaan? Dat doet Hij natuurlijk niet. Onze God is immers geen wraakzuchtige God. Onze God is liefde.

Zusters en broeders, op het einde van de evangelielezing daalt Gods Geest over Jezus, en een stem uit de hemel zegt: 'Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.' Welnu, God zegt die woorden niet alleen tegen Jezus, Hij zegt ze tegen elk mensenkind dat geboren wordt. Van elk van die kinderen staat de naam geschreven in zijn hand, en allen worden ze geboren onder zijn grenzeloze liefde. God houdt van zijn schepping in haar geheel en van elk van zijn schepselen in het bijzonder. Hij heeft dus welbehagen in elk kind dat het licht ziet. Ook tegen het kind dat in een sloppenwijk, een vluchtelingenkamp, een gevangenis, in gelijk welk krot geboren wordt, zegt Hij: 'Gij zijt mijn veelgeliefd kind.' Hij zegt dat ook tegen elk geaborteerd kind, tegen elk kind geboren uit verkrachting, tegen elk door mensen ongewenst kind. En ook proefbuisbaby's en foetussen die niet om zichzelf verwekt worden, maar om er ziekten van anderen mee te lijf te gaan, ook die kinderen drukt Hij aan zijn hart en ook in hen heeft Hij welbehagen.

Zusters en broeders, allen zijn we Gods lieve kinderen, en Hij drukt ons allen aan zijn hart. En ik denk dat Hij van elk kind hoopt dat het ook van mensen die liefde zal meekrijgen en meedragen, en dat het ook zelf zal leven naar die liefde. En verder denk ik dat zijn liefde een opdracht inhoudt voor de volwassenen, met name dat zij niet zomaar wat mogen aanmodderen met het leven dat zij in zijn naam verwekken. Dat ze er zorg voor moeten dragen, dat ze het moeten bewaren en beveiligen, dat ze het moeten liefhebben zoals Hijzelf het liefheeft. Dat ook zij moeten zeggen: Gij zijt mijn liefste kind, en in u heb ik welbehagen.

Ik weet het, als we zien wat er in de wereld gebeurt, hoe kinderen verlaten, geslagen, uitgehongerd, verkocht, gemarteld worden, danĀ  klinkt dit als een utopie. Maar deze utopie is de droom van God die in elk van zijn mensenkinderen welbehagen heeft. Moge dat ook zo zijn voor die mensenkinderen zelf. Amen.