Twee hokken nog (1999)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

OVER MOFFEN EN WATJES


“Ik houd er niet van om mensen in hokjes in te delen!” zei iemand wrevelig. “Dat heb ik vroeger te vaak meegemaakt. We leken wel omringd door vijanden, door “rooien”, “protestanten”, “Huillanders”,  “Pruisen” en “Belsjen”. Het gesprek ging over de kerk. Dat het voor moderne mensen moeilijk te begrijpen is, waarom het bestuur niet opener kan. “Het moet voor de heilige Geest geen probleem zijn. Als zij kan inspireren in totalitaire structuren, dan kan zij het zeker in democratische”, vatte iemand zijn idee samen. Het ging over “progressieven” en ”conservatieven”.  
Inderdaad, we willen elkaar niet in hokjes zetten maar toch stempelen we mensen. Macho’s, Anita’s, minima, katholieken, aso’s en Limbo’s. Het geeft ons een zekere oriëntatie in een ondoorzichtige wereld. Dit verdelen van mensen is gevaarlijk als het iets in zich draagt van “wij, edele ridders, tegen de rest van de wereld”; als het een front opricht tegen joden, zigeuners, asielzoekers, homofielen, Belgen, Duitsers, protestanten... zij zijn slecht en wij zijn goed. Zwart-wit; licht-donker.

SINISTER KWAAD

Wij kennen het woord “sinister”. Het betekent iets negatiefs: “onbetrouwbaar”. Sinister is het Latijnse woord voor ‘donker’, maar ook voor ‘linker’. Dat komt omdat men in de oudheid naar het Oosten keek. Zoals wij landkaarten naar het noorden richten, zo richten ze die vroeger op de oriënt. Naar het oosten kijkend is de linkerkant het Noorden, de streek van de nacht, en rechts is het zuiden, de licht-zijde. Daarom stonden in het prentenboek waarmee ik het geloof leerde, een duiveltje in het linkeroor van een kindje en een engeltje in het rechter-. Ze vochten een gewetensstrijd uit in het kind dat met uitgestoken arm aarzelde of het een appel weg zou pakken. Links en rechts.

GODS EIGEN TWEE-DELING

Jezus maakt een verhaal. Hij vertelt over de Mensenzoon, een kosmische gestalte die aan het einde van de tijd oordeelt over mensen. Hij verdeelt ze in twee grote hokken. Eén voor de schapen en één voor de bokken. Over het indelen van mensen gesproken!
Je kunt daar twee dingen van zeggen: het eerste is dat voor de Mensenzoon al die vele hokjes van ons niet meer tellen. Er blijven er maar twee over: licht en donker. Dus katholiek of protestant, kerkganger of spijbelaar, atheïst of vrome pelgrim, gehuwd of ongehuwd, mohammedaan of boeddhist, conservatief of vernieuwend... al die kwalificaties komen niet meer voor. Daar zijn we aan voorbij. God heeft nog maar één maat. Dat valt op en dat schept een enorme ruimte.  
Maar het tweede is dat de indeling tussen mensen wel erg rigoureus is. De ene groep is alles, de andere niets. Zelf heb ik daarbij het gevoel er niet bij te horen, want ja, ik heb wel eens gedeeld met anderen, ik heb erbarmen gevoeld en daarnaar gehandeld, maar nee, ik heb er zoveel laten staan langs mijn weg, bedelend en vragend. En het was vaak niet uit een gebrek aan goedheid maar uit wantrouwen en angst. Ik hoor vast niet tot die rechtvaardigen die zonder het te weten God hebben gevoed en gekleed. Maar ik hoor toch ook niet tot die vervloekten die God steeds een beker water hebben geweigerd. Het enge is: als er nog maar twee oordelen overblijven: wit of zwart, dan moet er ergens in het midden van al die grijzen een scheidslijn lopen. Daar kan één aalmoes meer of minder de doorslag geven tussen genade of ongenade in Gods ogen. Dat is onbarmhartig en ongenuanceerd.

BIJ GOD NIETS ONMOGELIJK

Door mijn hoofd schiet een andere opmerking van Jezus. Hij heeft aan een rijke jongen gezegd: “Ga je bezit delen met de armen.” De jongen krijgt dat niet klaar en Jezus zucht: “Een kameel komt nog makkelijker door het oog van een naald.” De leerlingen schrikken: “Komt niemand er goed van af in Gods ogen?” “Bij God is alles mogelijk”, troost Jezus. Terwijl hij de lat heel hoog legt, wijst hij tevens op Gods mededogen.
Dat maakt iets duidelijk. Het verhaal van het laatste oordeel wil ons niet ontmoedigen. Het wil ons áánmoedigen. Denk eraan: ooit is de tijd van goede voornemens voorbij. Het is nu of nooit. Stel het niet uit, je plan om goed te doen. Kibbel er niet over of je een goede gelovige bent, of een voortreffelijke humanist, pijnig je hart niet of je kinderen wel doen wat goed is in Gods ogen. Debatteer er niet over of andersgelovigen en ongelovigen genade vinden bij God. Er is maar een criterium: of naakten gekleed hebt, hongerigen gevoeld en dorstigen gelaafd.  
Dat is God goed doen, of je Hem daarbij nou herkend hebt of niet.

IVO DE DERDE

Lieve kinderen.
Er was eens een koning. Koning Ivo de Derde. Hij wilde dat zijn onderdanen gelukkig zouden zijn. Op zekere dag vroeg hij aan zijn raadgevers: “Hoe is het in het land? Zijn de mensen aardig voor elkaar?” “O ja, wijze koning”, de raadsheer boog diep. “Zijn er ook mensen ziek of hongerig?”, vroeg de koning. De raadsheren aarzelden even. Natuurlijk waren er zieken, maar de koning was zo gevoelig. “Tja”, zei er een met een gewichtig gezicht, “het schijnt dat hier en daar enkelen rondzwerven die reuze trek hebben.” Er kwam een bezorgde rimpel over het hoofd van Ivo de Derde. “Het bevalt me niet”, zei hij, “ik ga zelf eens kijken!” De raadsheren werden wit van schrik. Ze waren bang dat de koning zou ontdekken dat ze altijd alles goed hadden gepraat. “Niet doen koning!” “Veel te gevaarlijk” “De mensen zullen u toch niet de waarheid vertellen”. “Daarom”, zei de koning, “verkleed ik me... in een bedelaar!”  
Achter zich hoorde Ivo een gilletje en een grote knal. De koningin was van haar troon gevallen. Maar koning Ivo trok het land in met gescheurde vieze kleren en hij bedelde bij de stadspoort om water, brood en een paar schoenen. Na drie maanden keerde hij terug. Hij riep zijn raadsheren bij zich: “Zo, nu weet ik precies hoe het is in mijn land. Vorige week lag ik hier onder paleistrappen met een jute zak over mijn hoofd. Jullie kwamen alle drie voorbij. Ik stak mijn hand uit maar jullie deden of je mij niet zagen. Maar ik zag jullie wel! Roep de andere bedelaars van de paleistrap. Zij worden mijn nieuwe raadsheren!”  
Achter zich hoorde Ivo een gilletje en een harde klap.