Lekker in andermans vel (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

PRINSES

Toen ik binnenkwam was de achtjarige Mabel driftig aan het chatten. Ze probeerde te verhinderen dat ik over haar schoudertje meelas. Ik zei: ‘Wat is het tegenwoordig toch een heerlijke tijd om kind te zijn.’ Mabel hield op met typen en keek me onderzoekend aan. ‘Vin-ik helemaal niet’, zei ze toen. ‘Ik was liever in de twaalfde eeuw geboren. Dan was ik prinses op een groot kasteel en dan had ik een wei vol paarden...’ Hier was over nagedacht. Mabel wilde iemand anders zijn. Dat maakte haar een beetje jaloers. Mabel is in staat om in de huid van anderen te kruipen. Het viel me op dat iedereen dat kan.

GEARMD

‘s Avonds zat een vrouw te klagen dat ze vereenzaamde. ‘Ik heb de neiging me terug te trekken’, zei ze. ‘Als ik over straat loop zie ik overal mensen gearmd lopen. Dan krijg ik de tranen in mijn ogen. Stef is al acht jaar dood. Ik blijf maar liever tuis.’ De vrouw kon het nlaten in de schoenen te gaan staan van vrouwen die hun man nog hadden.

MILJOENENJACHT

‘De postcodeloterij is het laatste dat ik wegdoe.’ Een jonge vrouw dacht hardop na over de mogelijkheden om rond te komen en wat geld te sparen. ‘Nee, stel je voor dat mijn straat wint en alle buren krijgen duizenden euro’s, en ik niks!’
Voortdurend identificeren we ons met anderen, met filmsterren die avond aan avond zalen vol bewonderaars trekken. Met snelle voetballers die onverschillig een moeilijke bal inschieten. Of met astronauten die gewichtloos rond zweven. We vereenzelvigen ons met anderen en hebben gaan vrede met onszelf.

MEDEDOGEN

Er is een andere kant aan dit gevoel. We komen ook zieken tegen. Iemand van rond de veertig die al tien jaar in een rolstoel zit. We ontmoeten een moeder die haar kind begraven heeft. We zien een oude man met blote handen wroeten in de puinhopen die de aardbeving heeft achtergelaten, wanhopig op zoek naar een kind. En ook dan hebben we het gevoel dat we die ander hadden kunnen zijn.

DE ANDER ZIJN

Ik weet niet of het een gen is. Met belangstelling lees ik onderzoeken naar de hersenen van mensen. Maar tenslotte gaat het er niet om hoe een en ander chemisch te beschrijven is. Veel meer verwonder ik me over dat merkwaardige vermogen om niet alleen met onszelf samen te vallen, maar ook met anderen. Om het populair te zeggen: we willen niet alleen lekker in ons eigen vel zitten - we kunnen ook in die van een ander kruipen!
Dat vermogen maakt ons soms ongelukkig;  we zien wat we allemaal niet bezitten, wat we nìet bereikt hebben en wie we nìet veroverd hebben. Hetzelfde vermogen kan ons echter ook met meeleven vervullen. Het laat ons wakker liggen om de ellende die we hebben gezien in de ogen van een kind dat door iedereen is afgewezen.

BEELD VAN GOD

Dit vermogen verlegt onze grens tot ver buiten onszelf, naar anderen toe, feitelijke en denkbeeldige mensen, levenden en overledenen, en zelfs met toekomstige generaties. Daarom verbindt dit vermogen ons met alles en met alle tijden. Deze gave is onze lijntje met de eeuwigheid. Dit is wat ons tot beeld van God maakt. Onze diepste identiteit valt niet samen met ons eigen lichaam, maar ook met dat van de ander en met heel de kosmos. Dat moet de mens bedoeld hebben met het woord ‘ziel’.
De mogelijkheid om jaloers te zijn is tegelijk de gave om barmhartig te zijn. Daarin ontmoeten wij God. ‘Kom, gezegende, want ik had honger en je hebt me gevoed; ik was naakt en je hebt me gekleed, ik was gevangen en je hebt me opgezocht. Kom en treed binnen in het Al!’

MIAUW!

Lieve kinderen. Tussen de struiken achter het voetbalveld had Merlijn een klagelijk ‘miauw’ gehoord. Toen hij ging kijken zag hij een heel jong poesje zitten. Het had nog weinig haartjes, meer een soort kippenvel had het. Het keek bang om zich heen.
Merlijn pakte het beestje voorzicht op en sprak het rustig toe.
‘Kalm maar! Heb je het koud? Niet bang zijn, ik zal voor je zorgen.’ Hij nam het mee naar de kleedkamer, liet het nog aan Bas zien en stopte het in de sporttas. Thuis liep hij er gauw mee naar boven. Hij moest nog iets verzinnen. Pappa was tegen beesten in de woning. ‘Apen genoeg in huis’ zei hij altijd.
‘Ga hier maar liggen. Ik haal wat te drinken. Maar niet van de kamer af!’ Er braken moeilijke dagen aan. Het poesje moest elke ochtend in de tas het huis uit worden gesmokkeld. Het mocht niet miauwen. Chantal mocht het niet horen. En Merlijn moest van elk ontbijt de melk sparen en in een leeg jam-potje gieten. Hij wist ook niet of het poesje er genoeg aan had. Van zijn zakgeld kocht hij een boek in de winkel. ‘Alles over poezen’ stond op de kaft.
Tenslotte moest Merlijn het opbiechten. Hij begon bij mamma.
‘Mamma-ha?’
‘Ja jongen?’
‘Als iemand heel erg zielig is, moet je dan iemand helpen?’
‘Ja’, zei mamma, toch een beetje aarzelend. ‘Ja, iemand die zielig is moet je helpen.’
‘En als iemand honger heeft, moet je die dan eten geven?’
‘Ja, maar waar wil je naar toe?’
‘Als iemand geen huis heeft...’
‘Toe, Merlijn, vertel nu maar wat er is.’ Mamma was ervan geschrokken. Zou Merlijn een zwerver meegenomen hebben naar de schuur? Zou hij zijn spaarbankboekje gegeven hebben aan een bedelaar? Ze kende haar Merlijn wel. Die was tot alles in staat.
‘Kom maar mee’, zei Merlijn. Ze liepen naar boven en daar in de hoek van de kamer, in een boodschappenmandje, daar zat een heel lief poesje. Mamma lachte opgelucht. Ze gaf Merlijn een dikke zoen. Die begreep er niks van.