Koning ter discussie

Het feest van Christus koning werd in 1925 door paus Pius XI ingesteld, enkele jaren na het einde van de eerste wereldoorlog. Het feest is dus nog geen negentig jaar oud. En toch lijkt het ons hopeloos verouderd en voorbijgestreefd.

Duitsland, vóór de oorlog nog een keizerrijk, was na die oorlog, in 1918, een republiek geworden en ook in Griekenland werd in 1924 de republiek uitgeroepen.

Maar Italië had in 1925 nog een koning en ook al was de kerkelijke staat in die tijd niet veel groter dan Vaticaanstad, toch zag de toenmalige paus zichzelf nog graag heel even als een vorst, een kleine koning.

Door de eerste wereldoorlog was er zeer veel veranderd. Niet enkel Duitsland was verloren, de hele wereld had gefaald. De grote leiders hadden het niet waargemaakt. Zij hadden aan de wereld geen stevigheid, geen stabiliteit kunnen geven.

Niet een koning van een of ander koninkrijk, alleen een Koning over het heelal zou, volgens de pauselijke encycliek, de oplossing kunnen bieden.

Al wat katholiek was ging bijgevolg spreken over die andere Koning, Christus Koning. Aan die Koning zweren zij trouw. En aangezien het ook een tijd was van publieke wervingsacties, optochten à la Rerum Novarum en militaire uniformen, marcheerde iedereen gezwind achter die Koning aan.

Sindsdien is er wéér veel water naar de zee gevloeid. De tweede wereldoorlog toonde aan dat monumenten van helden niet overeind blijven. Dat heldendom eigenlijk heeft afgedaan.

Hoewel de Chiro nog jarenlang achter de vlag bleef verder marcheren, kijken ook wij niet meer op dezelfde manier tegen de dingen aan als 90 jaar geleden en telt de wereld inmiddels meer republieken dan koninkrijken.

Keizers, koningen en prinsen, zo weggelopen uit de Efteling of andere sprookjes, boezemen ons nog weinig ontzag in.

Al vijfhonderd jaar trekt Zwarte Piet, zonder problemen, samen op met Sinterklaas. En toch kwam zelfs diens positie de voorbije weken ter discussie.

Dingen die eeuwenlang vanzelfsprekend leken, worden plots in vraag gesteld.

Als dan dit jaar op zijn minst twee mensen (Filip in België en Willem-Alexander in Nederland), in het spoor van hun vader of moeder, aanvaardden om koning te worden, en beloven om dat met hart en ziel te zullen doen, dan kijkt niet iedereen daar op dezelfde manier tegenaan. Enkele politieke partijen willen de rol van de koning het liefst gereduceerd zien tot het knippen van lintjes.

Wat blijft er dan nog overeind? Waarom blijven wij, tot op vandaag, het feest vieren van Christus, Koning van het heelal?

Omdat, zoals Hij het zelf duidelijk zegt, Zijn koningschap niet van deze wereld is.

Jezus is een Koning die niet past in onze menselijke maatstaven. Hij is méér dan ook een buitenbeetje, Hij is buiten-gewoon.

Hij is de koning die een waarheid dient, de enige waarheid, die niet in formules of in eden wordt vastgelegd, maar in de waarheid, dat alleen wie in waarachtigheid mensen dient, een koninklijke mens wordt.

Dat is de waarheid: dat je in naam van God niets anders meer doen kan, dan de macht afzweren en gaat dienen.

Als de koning (met kleine of met grote K) niet dient, dient hij tot niets.

Zo is de koninklijke mens niet diegene die zelf op de troon zit, maar diegene die andere mensen op de troon plaatst. Niet diegene die overal als de grote geslaagde mens wordt vereerd, maar diegene die de kleine mens vereert en in het midden plaatst.

De spotters zeggen terecht "Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden", want juist daarvoor was Jezus gekomen, om anderen te redden. Daarin bestond zijn koningschap. Hij kon zijn zending samenvatten in de woorden: "Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om anderen te dienen".

In Gods koninkrijk gaat de kleine voorop: hij draagt de vlag, hij roept ons op om mee te gaan op deze smalle weg, waar we vele mensen niet zullen zien!

Jezus erkennen als hun Koning bracht consequenties mee voor de eerste christenen, maar ook voor ons.

Zijn zending, niet jezelf redden, wordt ook onze zending, onze opdracht.

Christus Koning vraagt zijn onderdanen dat zij zouden doen wat Hij gedaan heeft: dat zij leven zoals Hij geleefd heeft.

Iemand heeft het ooit zo verteld: Als je later aan de hemelpoort komt, zal je je paspoort moeten laten controleren, en als de Heer dan je foto ziet en kan zeggen: “Ja, je lijkt op Mij”, dan mag je binnen.

Als wij daarin geloven, als wij op die weg mee opstappen, dan klinkt ook voor ons de belofte: “Vandaag nog zal je bij Mij zijn in het paradijs”. Amen.