Wie waagt, die wint!

Beste vrienden,

Een vermogen opbouwen! Dat klinkt toch al bijna zoals in het echte leven: Geldzaken!

Vrij naar de leuze: Wie heeft, die krijgt nog bij; wie niet waagt, niet wint!

Het ruikt naar banken, naar beleggen en speculeren. Toch wel heel actueel zou ik zeggen.

We hebben het hier over een rijke zakenman die, vooraleer op reis te vertrekken, aan drie bedienden met procuratie elk een deel van zijn vermogen toevertrouwt en hen de opdracht geeft om dat te beheren en er winst mee te maken.  Twee van hen pakken het tamelijk goed aan; ze drijven handel met het geld en maken op die manier elk een winst van 100%. Niet slecht toch?!! 

Maar de derde, die is bang om verliezen te lijden op het bedrag dat hij heeft gekregen. Wie weet wat de toekomst zal brengen? Inflatie? Bankencrisis? Neen, hij steekt het geld liever in een zwarte kous onder zijn matras! Maar dat is helemaal niet naar de zin van de geldgever. Die komt terug en vraagt om de afrekening.   

Hoe verheugd hij ook is om de winst die de eerste twee hebben gemaakt, des te groter is zijn toorn bij het geklets van de derde: Die heeft alleen maar uitvluchten!

Zelfs de rechtvaardigheidszin van de baas wordt betwijfeld: “Ik was bang, want ik ken u. Als het verkeerd zou zijn afgelopen zoudt ge mij de schuld hebben gegeven. Dus heb ik niets gedaan, dan kon ik ook niets verkeerds doen. Hier hebt ge uw geld terug.”   

Over die houding is de baas zo woedend dat hij de luiaard niet alleen zwaar berispt, maar hem ook het geld terug afneemt en hem als het ware letterlijk naar de duivel jaagt. 

Wat we hier hoorden is wel een gelijkenis van Jezus en geen handleiding voor jonge ondernemers van deze tijd. Maar wil dat nu zeggen dat God ook zo handelt zoals  de zakenman in de gelijkenis? Wie rijk is, krijgt er nog rijkdom bij en wie bijna niets heeft verliest ook nog datgene wat hij bezit? Dat kan toch niet!! Is dat de christelijke blijde boodschap?

Ik denk niet dat we er zo gemakkelijk vanaf komen. Want in de gelijkenis gaat het uiteindelijk toch alleen maar om de vraag: Waarom hebt ge uw talent laten verkommeren? Waarom doet ge niets met dat wat ge kunt?  Want juist die vraag is uiteindelijk beslissend voor de zin of de onzin van mijn leven. Niet meer en niet minder dan dat. 

Wij allemaal, zoals we hier zitten, hebben een aantal talenten meegekregen; meer of minder uitgesproken en niet noodzakelijk spectaculair. Wonderkinderen en universele genieën zijn zeldzaam, maar daar komt het ook echt niet op aan. Maar het is belangrijk dat we onze talenten niet verstoppen of zelfs begraven, maar dat we ze gebruiken en uitleven. Dat is de enige manier om uit te groeien tot zelfbewuste onafhankelijke mensen, zoals God ons geschapen en bedoeld heeft.  Mensen die zich niet gedurig moeten verontschuldigen voor hun eigen bestaan en die zich altijd blind staren op anderen, die het in hun leven toch zoveel beter hebben dan zij zelf: Rijkere ouders, betere studiekansen, een scherper verstand, een betere gezondheid, een mooier voorkomen, een hoger loon, een hoger pensioen enz. enz...

Als ik me voortdurend op anderen blind staar, voel ik me bedrogen en door het lot en het leven benadeeld. En dan? Dan doe ik niets meer dan klagen; beklaag ik de onrechtvaardigheid van het leven en ben dan heel verwonderd als ik op het einde van mijn leven merk dat ik mezelf al lang heb begraven.  Dat is dan uiteindelijk de straf: Wie dat in zijn leven niet vat, niet voelt of niet inziet, die verliest ook nog datgene waarvan hij ook in zijn leven het belang niet heeft herkend. 

De gelijkenis van vandaag wil ons uit die vicieuze cirkel bevrijden. De blik wordt op mezelf gericht, op datgene wat ik kan en waartoe ik in staat ben. Dat is het vermogen dat God aan mij heeft toevertrouwd. Maar dat betekent toch niets anders, dan dat God zijn dienaars en dienaressen – dus ons allen – in staat acht om, door onze talenten in te zetten en ermee te woekeren, zijn vermogen te laten aangroeien.  Ieder van ons met die talenten die hij heeft gekregen; niemand wordt overbelast of tekort gedaan. Voor God moet ik dus alleen maar mezelf zijn; alleen doen wat ik kan en voleinden wat Hij in mij gelegd heeft.   Het grootste onrecht doe ik mezelf in mijn leven aan, wanneer ik me altijd met de anderen wil meten en dan aan God verwijt dat Hij me niet zo heeft gemaakt als zij. 

Voor mezelf en voor de maatschappij is het belangrijk dat ik mijn leven leef met de mogelijkheden die ik heb gekregen en dat ik daarbij geen enkele van de mij gegeven begaafdheden laat verkommeren.  

Ik herinner me een film met Heinz Rühmann: „De kapitein van Köpenick” waarin de mislopen schoenmaker Wilhelm Vogt voor de spiegel staat en aan zichzelf vraagt: „Wat hebt ge met uw leven gedaan“.

En dan volgt er een vertwijfelde dialoog met zichzelf: “En dan staat ge daar voor God de vader; ge staat er dan recht voor, en die vraagt u op de man af: Wilhelm, wat hebt ge met uw leven gedaan? En dan moet ik hem antwoorden: Voetmatten! Die heb ik gevlochten in de gevangenis en dan hebben ze er allemaal hun voeten aan afgeveegd. Dat moet ik Hem dan antwoorden. Maar dan antwoordt Hij mij: Ga weg!  Daarvoor heb Ik je het leven niet gegeven! Dat zijt ge me schuldig! Wat hebt ge met uw leven gedaan?”

En dan neemt die kleine vernederde man uit het volk een besluit: Als “valse” Kapitein van Köpenick maakt hij carrière en toont hij aan de hautaine Pruisische ambtenarij wat hij in zich heeft. 

Ook wij hebben mogelijkheden te over om onze talenten te gebruiken en ze aan de man te brengen. Misschien moeten we ook eens in onszelf kijken, en net zoals de schoenmaker Wilhelm Vogt voor de spiegel gaan staan, nadenken: “wat kan ik”, en het dan ook in daden omzetten. En dan bedoel ik in dit geval wel dat wij onze talenten dan in de zin van Jezus’ boodschap moeten inzetten en niet om iemand te foppen.   

Om de gelijkenis samen te vatten: De derde bediende vertrouwde zijn Heer niet en zette zich door zijn eigen angst buitenspel. En alhoewel de beide anderen een groot risico hebben aangegaan, worden zij geprezen, omdat ze erop vertrouwden dat hun Heer hun goede wil, hun goede bedoelingen zou erkennen – ook als het verkeerd zou aflopen.   

God wil niet dat we bang voor Hem zijn, maar Hij wil dat we Hem vertrouwen. Dat we ons geen wantrouwige onderdanen van een strenge God voelen, maar veeleer vrienden van een liefhebbende Vader.   

Zo staat ook Jezus tegenover God en Hij zegt ons: „ begrijp nu eindelijk toch eens dat God geen kleinzielige muggenzifter is. Hij waardeert onze vrijheid, die zowel voor Hem als voor ons we een risico in zich draagt, maar door die vrijheid worden we voor Hem pas Partners en medewerkers die zijn vermogen mogen beheren en ermee werken”!   En dat “vermogen“, dat „kapitaal“ van God is zijn grenzeloze liefde. Door ons toedoen zou dat beginkapitaal kunnen aangroeien en steeds meer toenemen. Maar pas als de liefde zich doet gevoelen, als haar resultaat zichtbaar wordt, kan ze ook worden ervaren. En dan geldt: “ de liefde is het enige goed dat vermeerdert als men het weggeeft”.  Het ergste wat de liefde kan overkomen is dat ze wordt begraven, dat ze wordt weggestoken achter hoge muren van geboden, voorschriften en reglementen. 

Nu merken we pas waar het om gaat! Niet om geld, en ook niet om winst op de beurs, maar om het leven en om het rijk Gods. Dat laatste kan door onze inzet aangroeien opdat het leven van de mensen zou lukken. Laten we onze angst overboord gooien en ons op het leven richten. Of anders gezegd: Laten we onze talenten goed gebruiken. Want: Wie waagt, die wint”.  Amen.