Niet bang zijn A (2011)

Ook al kennen we vele parabels van Jezus intussen vrij goed, we blijven het er soms moeilijk mee hebben. Ze waren allicht ook bedoeld om mensen te confronteren of uit te dagen, en dan wringt er vaak iets. Vorige week bijvoorbeeld kregen de vijf verstandige meisjes een dikke pluim omdat zij hun olie niet wilden delen met de anderen.

 

En ook vandaag hebben we een probleem.

En dan heb ik het niet over de passage waarin de knecht de raad krijgt om het geld op de bank te zetten, zodat het rente oplevert. Maar wat moeten we denken van de strenge, ja zelfs hardvochtige reactie van de heer tegenover die derde knecht? Hadden wij niet op andere plaatsen gehoord dat we voor de zwakkeren, de minstbedeelden vooral aandacht, begrip en steun moesten hebben? En hier wordt die arme man in de duisternis geworpen, waar geween is en tandengeknars.

 

Is dat niet heel wreed?

Hij had ocharme maar één talent gekregen, veel minder dan de anderen. En hij had er toch niets verkeerd mee gedaan, hij had het niet voor zichzelf gebruikt, hij had het niet verbrast aan nutteloze dingen. Hij had het gewoon voor zijn heer bewaard. Heel eerlijk.

Waar gaat het eigenlijk om? Die derde knecht krijgt niet het verwijt dat hij lui is of onbekwaam. Hij krijgt het verwijt dat hij bang is. Hij heeft niets verkeerd gedaan, hij heeft helemaal niets gedaan. Op die manier heeft hij het vertrouwen van zijn heer beschaamd. En hij heeft getoond dat hij zelf geen vertrouwen had of heeft in zijn heer.

 

Want wat doet die heer bij het begin van de parabel? Hij vertrouwt zijn drie knechten een deel van zijn bezit toe. In vertrouwen. Om ermee te werken, om dat bezit uit te breiden. In evangelische taal: om mee te werken aan zijn rijk. Om dat te doen, hebben zij ook vertrouwen nodig in hun heer.

 

En de eerste twee gaan aan de slag.

Allebei volgens hun mogelijkheden, en met de middelen die ze van hun heer gekregen hebben. Zij gebruiken hun talenten, ze doen wat ze kunnen, zoals de sterke vrouw in de eerste lezing. Ook zij krijgt alle lof en waardering. De derde knecht neemt geen initiatief, geen risico. Hij doet helemaal niets, omdat hij bang is, omdat hij geen vertrouwen heeft.

 

Wie niets doet, kan niets misdoen.

We kennen die uitdrukking. Het lijkt een aanmoediging te zijn om maar op veilig te spelen. Maar meestal wordt die uitdrukking gebruikt om mensen te troosten of te bemoedigen die wel iets gedaan hebben. En daarvoor met kritiek werden overladen.

Want inderdaad: wie wel iets doet, wie zich ergens voor inzet, wie initiatief neemt, die stelt zich kwetsbaar op. Die stelt zich bloot aan kritiek. Dat is overal zo. In de politiek, in de kerk, op het werk, in de school, in de buurt, in het gezin. En ook in een parochie. Want ook daar worden tal van initiatieven genomen, wordt met talenten gewoekerd. En ook daar staan de beste stuurlui vaak aan wal.

 

Op gevaar af mensen te vergeten, waag ik mij toch aan een kleine opsomming. In onze parochie zetten mensen zich in in het PT of op het parochiesecretariaat. In parochiale werken of kerkfabriek. In catechese met eerste communicanten of vormelingen. In het voorbereiden van doopvieringen of het helpen bij uitvaarten. In liturgiegroepen of de preekploeg.

In Anna3 of Anneke Mossel. In het organiseren van een wintermarkt of Sint-Annekesfeesten. In ziekenzorg of rouwverwerking. In de wereldwinkel of de mazen. In het Sint-Annakoor of Klankjorum. In KAV of OKRA.

In scouts of Pleplo. Aan het orgel of in culturele verenigingen. In hobbyclubs of in de zorg en het onderhoud van zalen die door al die mensen kunnen gebruikt worden. Enzovoort, enzovoort.

 

En al die mensen zijn op hun manier en op hun terrein sterke vrouwen of sterke mannen. Zij begraven hun talenten niet in de grond. Zij proberen te bouwen. En zij krijgen natuurlijk kritiek. Waarom doen ze het niet zus of zo? Waarom hebben ze niet meer aandacht voor …? Ze hebben het verkeerd aangepakt. Ze zouden beter …

 

Wie niets doet kan niets misdoen. Inderdaad. En sommige initiatieven lopen fout af. Maar er is tenminste iets geprobeerd.

Een student die echt heel goed gestudeerd heeft en toch niet slaagt, zal minder verwijten krijgen dan die andere die weer eens veel te laat begonnen is. Supporters van een voetbalclub kunnen meestal wel een nederlaag verwerken. Waar ze niet tegen kunnen is, dat hun spelers zich niet hebben ingezet, dat ze niet alles hebben gegeven.

 

Laten wij dat ook maar blijven proberen. En laten we de anderen die ook initiatief nemen niet in de eerste plaats bekritiseren, maar aanmoedigen. Want de parabel van de talenten is niet alleen bedoeld als terechtwijzing voor de bange knecht. Maar ook als bemoediging voor de twee anderen.

Tenslotte nog een andere overweging.

De parabel heeft in onze taal ook een begrip gelanceerd: het Matteus-effect. Op het einde wordt dat ene talent van de bange knecht gegeven aan de man met de – intussen – tien talenten. Want, zegt de heer: aan ieder die heeft, zal nog overvloedig gegeven worden. En degene die niet heeft, zal nog ontnomen worden wat hij bezit. Hoe meer men heeft, hoe meer men krijgt. En hoe minder men heeft, hoe minder men krijgt.

 

Het Matteüs-effect is vooral een begrip in de economie.

Rijken worden gemakkelijker nog rijker en armen vlugger nog armer. Maar in de context van vandaag klinkt het wat anders. Hoe meer men zich inzet, hoe meer resultaat men krijgt. Hoe meer men traint voor een sport, hoe beter men wordt. Hoe meer men probeert bij te leren, hoe meer men uiteindelijk ook kan.

En als het rijk van God het rijk van de liefde is, klopt het helemaal. Liefde is een zaak van geven en ontvangen.

Hoe meer liefde men geeft, hoe meer men krijgt. Als men de liefde niet cultiveert, sterft ze vanzelf uit.

Een Chinees spreekwoord zegt: de liefde is als de maan. Als ze niet groter wordt, wordt ze kleiner.