32e zondag door het jaar A - 2017

Zusters en broeders,

Vier zondagen geleden hoorden we: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.’ Vandaag klinkt het dat ‘het met het Rijk der hemelen zal gaan als met tien meisjes die met hun lampen uittrokken, de bruidegom tegemoet.’ In beide parabels gaat het dus om een bruiloftsfeest, en mogen sommigen het feest niet bijwonen. In de eerste parabel wordt een bezoeker letterlijk buiten geworpen omdat hij niet feestelijk aangekleed is, vandaag staan vijf meisjes voor een gesloten deur omdat ze door hun eigen domme schuld veel te laat aankomen. En in beide parabels wacht de geweigerden hetzelfde lot: ze moeten in de duisternis blijven, waar ‘geween is en tandengeknars’, voegt Jezus er in de eerste parabel aan toe.

Misschien denken wij nu: ‘Mij overkomt dat niet, want ik ben op mijn hoede. Als mij iets gevraagd wordt, doe ik wat er van mij verwacht wordt. En ik zal zeker zo geen domme dingen doen als die man zonder aangepaste feestkledij, en die meisjes die er niet aan denken dat een lamp niet vanzelf brandt.’  En wellicht vragen we ons af hoe dat mogelijk was. Waren die meisjes werkelijk zo dom dat ze niet eens wisten dat ze olie nodig hadden? Of hadden ze zich al zo feestelijk geamuseerd omdat ze uitgenodigd waren op een bruiloftsfeest? Zich afgevraagd wie ze zouden ontmoeten, en met wie ze zouden zingen en dansen. Met elkaar gediscussieerd welke rijke jongenman de hunne zou zijn. Vandaag zou het wellicht niet echt anders zijn, maar de meisjes zouden nu zozeer bezig zijn met hun iPhone of met een van hun andere speeltjes dat ze ook niet zouden denken aan bevoorrading van hun lamp.

Maar met al hun gebabbel en al hun amusement vergaten en vergeten ze één ding, en dat is dat het feest van het Rijk der hemelen geen kermis is waar je zomaar van alle attracties kan genieten. Je kan echt niet gratis meedoen aan het lunapark, de kansspelen, het schietkraam, de draaimolen, de roetsjbaan. Je moet er iets voor doen, je moet willen meewerken aan dat feest van het Rijk der hemelen, want het is een Rijk dat alleen een kermis van liefde, vrede en vreugde kan zijn als we er ons met zijn allen voor inzetten.

Dus moeten wij ons afvragen: Doen wij dat? Horen wij bij de vijf slimme of bij de vijf domme meisjes? Doen wij iets om onze lamp te doen branden? Onze lamp van inzet voor Gods Rijk van liefde, vrede en vreugde? Brengen wij licht in de duisternis van onze medemensen in nood? Brengen wij licht in het leven van onze partner, onze kinderen en kleinkinderen, onze ouders, onze buren, onze Kerk? Zijn wij er ons van bewust dat christen zijn geen tussendoortje is waarvan we genieten tijdens de zondagsmis? Niet na de mis en niet buiten de kerk, nee, want dan moeten we tijd maken voor onszelf, voor ons eigen plezier, onze eigen zorgen, ons eigen bezit.

‘Wees waakzaam, want gij kent dag noch uur,’ brengt Jezus daartegen in. En die dag en dat uur slaan op het oordeel. Het einde van het liturgische jaar komt in zicht, en in die periode is er elk jaar aandacht voor het oordeel en voor hiernamaals. Wat hebben we gedaan om er het beste van te maken? Hebben we geprobeerd om te leven naar Jezus’ woorden en daden? God is liefde, zegt Jezus, en Hij is ons aller Vader. Maar Hij leert ons ook dat God ook oordeel is, en dat we waakzaam moeten zijn. Dat we ons dus moeten inzetten voor zijn Koninkrijk van liefde, vrede en vreugde.

Zusters en broeders, we staan er daarbij niet alleen voor. Jezus is ons altijd nabij. ‘Wie vroeg opstaat, hoeft zich niet uit te sloven, want hij zal de wijsheid vinden,  zittend aan zijn deur’, hoorden we in de eerste lezing. En die wijsheid aan onze deur is Jezus, want Hij is ‘de weg, de waarheid en het leven.’ Is Hij dat inderdaad voor ons? Is Hij de weg die we proberen gaan? Is Hij de waarheid en het licht in ons leven?

Moge het zo zijn. Amen.