30e zondag door het jaar A - 2020

Zusters en broeders,

We leven in moeilijke tijden. Er is covid-19, met zoveel onzekerheden over wat kan en niet kan, wat mag en niet mag, en wat absoluut moet vermeden worden. Allemaal zo ingewikkeld en al zo dikwijls veranderd dat zo goed als niemand nog weet wat wel of niet kan. Maar die onzekerheid vinden we niet alleen in de gezondheidszorg. Er zijn immers zoveel onzekerheden die al jaren aanslepen, zoals milieuvervuiling, klimaatverandering, opwarming van de aarde, vluchtelingen, immigranten, en we kunnen wellicht nog een aantal dingen opsommen waarvan we alleen kunnen zeggen dat ze heel veel twijfels en duizenden verschillende meningen oproepen. Iets wat zich zelfs heel duidelijk vertaalt in de politiek. Stel je voor, in een minilandje als België wordt de regering door niet minder dan zeven partijen gevormd. En dan spreken we nog niet over de Vlaamse, Waalse, Brusselse en Duitstalige regeringen.

Onzekerheden aan de macht zou je kunnen zeggen. Onzekerheden die we trouwens ook zien in relaties die vaak op echt- en vechtscheidingen uitlopen. En ook onzekerheden in het dagelijkse leven, met zoveel pillen, zoveel ruzies, zoveel vijandigheden, zoveel misdrijven. Onzekerheden ook in de kerk, waar we alleen oude mensen zien, en ze zijn niet eens met veel.

Is er dan geen enkel houvast meer? Jawel, en dat geeft Jezus ons wanneer Hij zegt: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede is daarmee gelijkwaardig:  Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.’ Dat is niet zomaar een gebod, nee, dat is de kern van ons geloof.

Misschien denken we daarbij spontaan: ‘Ik doe dat niet slecht. Ik bedrijf geen misdaden, ik maak geen vuile fouten, ik word niet vervolgd en ook niet gestraft. Ik ben dus echt goed bezig, want ik doe geen slechte dingen.’ Maar eigenlijk moeten we ons afvragen: Doe ik wel goede dingen? Dingen die dus gedekt worden door dat ene gebod van Jezus, met liefde als houvast. Misschien denken we daarbij dan weer: Natuurlijk houd ik van God, dat is niet eens zo moeilijk. En natuurlijk houd ik van mezelf. En daarbij vergeten we misschien dat we zozeer van onszelf houden dat we onszelf dikwijls beter vinden dan de anderen, en dat we vergeten ons af te vragen of we niet meer gebreken en tekortkomingen hebben dan we willen toegeven. En houden we ook van onze naasten, zelfs evenveel als van onszelf? Ik denk dat dit niet altijd zo vanzelfsprekend is, want als het dat wél was, zouden racisme en vreemdelingenhaat niet bestaan, en zou er geen wantrouwen zijn tegenover anderskleurigen, andersdenkenden en andersgeaarden.

Zusters en broeders, Jezus heeft ons het Onze Vader cadeau gedaan, en daarin bidden we: ‘Uw Rijk kome. Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.’ We vragen dus dat Gods Rijk van liefde, vrede en gerechtigheid over de aarde zou komen, want dat is zijn wil. Maar doen we daar iets voor? Zetten we ons echt in voor dat Rijk van liefde, vrede en gerechtigheid voor iedereen? En zijn we er ons van bewust dat we onze liefde tot God niet kunnen scheiden van onze verhouding met onze medemensen? Dat we dus niet van God kunnen houden als we niet van onze medemensen houden, want allen zijn we zijn kinderen, allen zijn we broers en zussen. Laten we dus zeker proberen zo goed mogelijk trouw te zijn aan Jezus’ enige gebod. Ik ben er zeker van dat we dan veel minder onzekerheden zullen kennen. Amen.