God bemint mij!

Beste vrienden!

Kent u een „Logo“ of een ander teken waaraan je ons Christenen kan herkennen?  Ik zie het al, daar moeten jullie echt niet lang over nadenken – hoe kan ik ook zo’n domme vraag stellen-: U denkt aan een kruis! Heb ik gelijk? We vinden het in onze kerken, meestal ook gewoon in huis of als sieraad om onze hals gedragen – overal vindt je het kruis; daaraan moet je wel een christen herkennen.   Maar daar heb ik wel zo mijn twijfels over; want wanneer ik zo naar Jezus kijk, dan moet ik wel zeggen dat Hij een heel ander herkenningsteken in zijn hoofd had voor al die mensen die op zijn woord vertrouwden en Hem volgden. Voor Hem was dat herkenningsteken de Liefde! Hoe zei Hij het ook weer tegen zijn leerlingen: “Bemint elkander, zoals ik jullie heb bemind. Daaraan zal iedereen kunnen zien dat jullie vrienden en vriendinnen van mij zijn: als jullie onder elkaar de liefde bewaren. “ Dus niet aan een teken zoals het kruis, niet aan een bepaalde geloofsbelijdenis, maar aan een basis gevoelshouding zoals de liefde moeten wij als christenen kunnen worden herkend.   

Maar wanneer we nu naar het Evangelie van vandaag kijken, dan zit daar toch meer in dan een houding of een herkenningsteken – neen, de liefde is ook een gebod van God! Een gebod dat ook zeer goed bekend was bij de Farizeeën en Schriftgeleerden. Daarom is de vraagsteller in het evangelie ook tevreden met Jezus’ antwoord.

Maar wanneer Jezus dan echt begon, met heel zijn hart, met heel zijn ziel en met al zijn krachten lief te hebben, dan begonnen de vromen zich toch hevig op te winden. Wanneer Hij op de Sabbath mensen genas, wanneer Hij met bloedzuigers zoals de tollenaars en met notoire zondaars aan tafel ging en feestvierde om hen terug op het rechte pad te brengen; wanneer Hij zich door een vrouw van lichte zeden de voeten liet wassen en kussen – toen dat allemaal gebeurde, ging het die vrome heren toch te ver. Een dergelijk gedrag was voor hen een grote ergernis – en zo werd Jezus voor hen een steen des aanstoots.   

Maar welke “maat” van liefde predikte Jezus nu werkelijk? Vinden we die maat misschien terug in die zin die we in een kinderboek terugvinden: “Ik hou van je van hier tot aan de maan?” Het is een uitdrukking die niets anders betekent dan dat liefde mateloos is, dat ze helemaal niet gemeten kan worden. Maar kunnen wij, mensen, wel mateloos beminnen? En wanneer het dan toch om een gebod gaat, dan moeten we ons toch ook afvragen: “is liefde opeisbaar?” Kunt ge liefde bestellen of voorschrijven, net zoals op een doktersrecept? – hoe moeten we dat gebod van Jezus uit het evangelie dan verstaan? Voelen we ons misschien een beetje zoals de farizeeërs toen; zij stonden daar met gefronst voorhoofd en konden helemaal niet begrijpen wat Jezus deed. Of kunnen we ons in ons beminnen eerder vereenzelvigen met diegenen die hun leven, omwille van dit gebod, helemaal veranderd hebben? Misschien komen we door het volgende op het goede spoor!

De meesten onder jullie kennen wel het spelletje “beroepen raden”. Ik speel het soms met de kleinkinderen. Er is er een die een bepaald beroep uitkiest en dat dan met een typisch handgebaar probeert uit te beelden. Daarna proberen de anderen door vragen het beroep te raden. De bevraagde mag enkel met Ja of Neen antwoorden en het beroep moet met maximaal 10 vragen worden geraden. We gaan hier natuurlijk dat spelletje nu niet spelen, maar ik vraag me alleen af welke handbeweging wij christenen zouden maken om onze roeping tot Jezus’ liefdesgebod te typeren?

Uiteraard zou die handbeweging het liefdesgebod van Jezus moeten uitdrukken, maar ik vermoed dat er, zelfs tussen ons, discussies zouden ontstaan welk gebaar dat gebod best zou weergeven.

Een handbeweging naar de naaste toe? Een beweging die de naastenliefde uitdrukt door het zoeken van de hand van de andere? Of gewoon het vouwen van de handen in gebed, wat vroomheid en de liefde tot God uitdrukt? Welk gebaar drukt Jezus’ bedoeling het beste uit?

Het zijn vragen die moeilijk te beantwoorden zijn en die onder theologen reeds tot vele discussies hebben geleid over hoe dat liefdesgebod van Jezus best wordt verwezenlijkt. Soms ontstaat dan de indruk als zou men moeten kiezen tussen de pure liefde tot God, los van de wereld, of de opofferende inzet voor de mensen, los van God. Ik bedoel daarmee het volgende:

Enerzijds zijn er heel wat Christenen die zeer sterk de nadruk leggen op de liefde tot God, zelfs ten koste van de naastenliefde. God wordt dan a.h.w. op de rug van de medemensen bemind. De medemensen worden a.h.w. misbruikt als vehikel voor de eigen vroomheid. De medemens wordt niet bemind omwille van zichzelf, of omdat hij in nood verkeert, maar men bemint en helpt hem om zijn religieuze plichten tegenover God te vervullen en op die manier een bonus te kunnen boeken op de genaderekening van God.

Anderzijds zijn er ook christenen die de naastenliefde tot dogma verheffen en de liefde tot God laten verkommeren als een soort luxe aanhangsel van een hoofdzakelijk seculier humanisme.

Beide standpunten voldoen echter niet aan wat Jezus bedoelt met zijn gebod van liefde tot God en tot de naaste. Voor Jezus zijn beide een en kunnen, net zoals dag en nacht, niet van elkaar worden gescheiden. Naastenliefde mag niet ten koste van de liefde tot God gaan! Het evangelie zegt ons:De liefde tot God is de bron en het summum van de naastenliefde; en de naastenliefde is dan weer een teken en een werktuig voor de liefde tot God. Alleen wie goed in God geworteld is, kan zich ook volledig en met kracht inzetten voor zijn medemensen, want de liefde tot God bewijst zich heel concreet in de liefde tot de naaste en tot zichzelf. Want in het christelijk geloof moet met een drievoudige spanning rekening worden gehouden, ook al werd de liefde tot zichzelf in de Kerk gedurende eeuwen eerder stiefmoederlijk behandeld of zelfs helemaal verzwegen. Maar de liefde tot zichzelf is een noodzakelijke voorwaarde om tot een ware naastenliefde te kunnen komen. Hoe zou iemand die zichzelf verafschuwt, zijn naaste kunnen beminnen?

Let op, die liefde voor zichzelf heeft niets te doen met egoïsme. Want egoïsme komt altijd voort uit angst om zelf te kort te komen. Liefde voor zichzelf daarentegen is gewoon het besef dat ik eerst en vooral door God word bemind. Wat dat betekent kunnen we aanvoelen in een getuigenis van een gevangene uit een concentratiekamp in 1945:

“Ik had al de hoop verloren die mijn leven tot dan toe had vervuld. Ik werd intreurig en ziek. Ik stond niet meer op en wilde niet meer leven. En toen gebeurde het wonder. Met de hulp van enkele vrienden kwam ik tot het besef, ja, tot de zekerheid: Er is iemand die je bemint en die in je gelooft. Er is iemand die op jou wacht en voor wie jij oneindig belangrijk bent. Sta op en ga Hem tegemoet.

Toen ik besefte dat er iemand was die mij liefheeft en die me, ook in de diepste ellende, niet opgeeft, kon ik uit mijn ellende opstaan en mezelf terug graag zien. Mijn leven, ook achter prikkeldraad, werd terug belangrijk voor mij. En wat heb ik daaruit geleerd? Ik heb toen voor het eerst begrepen wat de uitdrukking betekent: God bemint ons, en daarom moeten wij onszelf ook beminnen. God bemint ieder van ons zoals hij is, niet anders, maar zo zoals hij is. Daarom kunnen wij ook datgene beminnen wat God bemint: onszelf. En wie zichzelf na dit besef nog altijd veracht, die veracht in werkelijkheid niet zichzelf, maar God.”

Beste vrienden: Zonder de zekerheid dat wij door God worden bemind, ontaardt de naastenliefde spoedig in een soort morele krampachtigheid. Want wij kunnen er alleen maar van harte voor anderen zijn wanneer we toelaten dat er iemand ook voor ons van harte is, God zelf.

Alleen wie toelaat dat God hem ontlast van de zorg om zichzelf, kan zichzelf belasten met de zorg voor andere mensen, mensen waarvoor God ook zorgt. Amen