28

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

Een week geleden onving ik een uitnodiging om het tienjarig jubileum van het Mentrum-project hier in Amsterdam mee te vieren. Wat houdt dat in, dat project? Allochtone jongeren krijgen in het kader van dat project extra begeleiding in het weekend, vooral op cultureel gebied. Zo zijn groepen van dat Mentrum-project op zondag al een paar keer aanwezig geweest bij eucharistie-vieringen in "de andere kerk". Kwamen er opeens halverwege de viering tussen de twintig en dertig allochtonen jongeren binnenstappen, bijna allemaal islamitisch. Ik heb ze uitgenodigd om zich maar een beetje te verspreiden en tussen ons in te komen zitten ... U snapt, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk: Vooral de eerste keer dat we dat meemaakten was dat heftig - voor de mensen van de kerk én voor de allochtone pubers. Stelt U zich maar even voor: dat er opeens een paar van zulke jongens en meisjes om U heen komen zitten! Voor hen en voor U is dat een heel bijzondere ervaring. Zij zijn waarschijnlijk voor de eerste keer in een kerk bij een mis. En U hebt opeens heel andere buren in de kerkbank. De jongeren keken denk ik hun ogen uit en hun oren hoorden hele andere klanken en woorden dan ze gewend waren. En wat ben je in zulke omstandigheden extra blij met de vredeswens als element van de liturgie - als mogelijkheid om even écht contact te maken. Toen brak het ijs tussen de "gewone" en de "ongewone" kerkgangers.

Het was eigenlijk super-ontroerend dat zoiets mogelijk was en om het mee te maken, in dit land en in deze wereld waarin het wantrouwen tussen mensen van verschillende culturele en godsdienstige achtergrond vaak groot is. Vandaar, dierbare gasten en parochianen, dat ik best genegen was om de viering van het tienjarig bestaan van het Mentrum-project te komen meevieren. Alleen ... het was op vrijdagavond. En dát is nu precies de avond waarop ik graag vrij ben. Je moet in je leven ook grenzen trekken zegt men. Voor mij ligt die grens veelal op vrijdagavond. Slechts bij hoge uitzondering lever ik die in. Ik was wel in dubio: Zal ik tóch? Maar uiteindelijk ben ik niet gegaan en heb ik mijzelf niet eens afgemeld voor het feest zoals de organisatoren ervan wel uitdrukkelijk hadden gevraagd.

Maar stel je voor veelgeliefden dat je op vrijdagavond of welke avond dan ook in Den Haag ten paleize wordt uitgenodigd? Zou je dan gaan of niet? Ik denk: de meesten van ons zouden daarvoor alles op zij zetten, vrijdagavond of niet. Of je zou destijds toch zijn uitgenodigd voor het huwelijk van Willem-Alexander en Maxima ... Wie zou dan níet gegaan zijn ...? Dus, veelgeliefden, wat zijn dat voor een types over wie Jezus spreekt in het evangelie van deze zondag: mensen die worden uitgenodigd voor een koninklijke bruiloft, maar ze willen niet komen. "Ze trokken zich er niets van aan (van die uitnodiging) en gingen hun eigen weg" zo staat er zelfs ... En dat degenen die de uitnodiging komen brengen zelfs mishandeld worden en vermoord worden. Gezellige gasten zeg! En dan geeft de koning opdracht om dan maar jan-en-alleman uit te nodigen, de mensen op de kruispunten van de wegen, iedereen die men maar tegenkomt. En zo loopt de zaal waar de bruiloft wordt gevierd toch nog vol. Maar dan signaleert de koning iemand die niet correct gekleed is en die wordt er dan uit geknikkerd. "Bind hem aan handen en voeten en werp hem in de uiterste duisternis." Het zal daar een gejammer zijn en tandengeknars. Gezellige gastheer!

Een vreemd feest veelgeliefden - om niet te zeggen: een naargeestig feest ... Op de achtergrond van dat feest is sprake van veel agressie, zowel aan de zijde van de gasten als aan de zijde van de gastheer. Waar gaat het eigenlijk om? Ongetwijfeld heeft Jezus het in deze gelijkenis over "de zaak van God" en over Zijn eigen missie in dit verband. Want Jezus vereenzelvigt zich met die zaak van God. Die is de Zijne. God nodigt de hele mensheid uit tot een feest. Dat is de bedoeling, dat ons leven dát is, dát zal zijn: een feest. Nou mensen, kom daar maar eens om ... Ja, dat wil zeggen: Voor onszelf kunnen we dat vaak goed regelen en versieren, dat feest. Maar de grenzen van wie op onze privé-feestjes wel en niet welkom zijn, die worden vaak scherp getrokken. Het zijn vaak feestjes voor de happy few, voor ónze happy few. En in het licht van het geloof is dát dus precies níet de bedoeling.

U weet veelgeliefden: God is met Israël begonnen. Het Joodse volk is door God uitgekozen om als eerste volk Zijn boodschap, Zijn woord te ontvangen. Maar Israël, zo is de bittere ervaring geweest welke door Jezus in de gelijkenis van vandaag tot uitdrukking wordt gebracht; Israël heeft dat woord van God in de wind geslagen. Het heeft de uitnodiging niet goed verstaan en die niet aangenomen. God heeft in Israël tegen dovemansoren gesproken. "Ze trokken zich er niets van aan en gingen hun eigen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel." Ja, zo is het, veelgeliefden: Die handel, bijvoorbeeld die in aandelen, beheerst zózeer het leven van de mensen, dat ze geneigd zijn om helemaal uit het oog te verliezen en te vergeten waar het in ons leven eigenlijk om begonnen is en waar het eigenlijk om zou móeten gaan. Je kunt rustig zeggen dat we wat dat betreft in een omgekeerde wereld leven: Wat niets is, wat lucht is, namelijk het geld, dát beheerst de mensen vaak volkomen. En God, Die de enige is Die ons werkelijk houvast kan geven in het leven, God van wie wij zijn uitgegaan en tot wie wij geroepen zijn terug te keren, daarvan denken en zeggen de mensen: Hij bestaat niet. Die God stelt niets voor. Godsdienst is een illusie.

Zo was het met Israël gesteld zegt Jezus. Israël heeft niet geluisterd en heeft niet gehoorzaamd. Israël heeft de wereld niet gebracht wat God van dat volk verlangde. Israël is niet het goede voorbeeld geweest dat andere volken, ja de hele wereld heeft verleid tot navolging. Daarom zal God's uitnodiging voortaan tot elk mens gericht zijn, jood en niet-jood. Het leven op aarde dient een feest te zijn, voor elk mens. Geen privé-feestje. Maar een feest waarop in principe iedereen welkom is, niemand uitgezonderd. Dát is, zoals gezegd, de bedoeling. Daartoe worden wij uitgenodigd - om daarop gericht te zijn, om ons daar op innerlijk af te stemmen. Ik denk, veelgeliefden; -dat is wat met die "bruiloftskleding" bedoeld wordt, die bruiloftskleding welke die éne gast niet draagt en die er daarom wordt uitgegooid. Die bruiloftskleding is een beeld, zo dunkt mij, van dat innerlijk hartstochtelijk gericht zijn op God en op een wereld waar iedereen er mag zijn en welkom is en goed kan leven.

God is wat dit betreft teleurgesteld in Israël. Daarom richt Hij zich met en in en door Jezus Christus voortaan tot elk mens zonder onderscheid. Dus lukt het nu wel veelgeliefden? Hoe zit het wat dit betreft bijvoorbeeld met de Kerk, de Kerk die zichzelf zo graag ziet en presenteert, in het kielzog van vooral de apostel Paulus, als "het nieuwe Israël"? Ik denk, de vraag stellen is hem beantwoorden. Of nee, dat zou toch te somber zijn ... Ik stel voor, en dát lijkt mij ook de bedoeling, om de vraag maar open te laten. Laat iedereen voor zichzelf maar een antwoord geven op de bewuste vraag in hoeverre jij als individu en in hoeverre wij als kerkgemeenschap sámen er iets van bakken en werkelijk gericht zijn op die wereld waarin God alles in allen zal zijn.

Volgend voorjaar zullen wij bezoek krijgen uit Frankrijk, vanuit het bisdom Evry (ten zuiden van Parijs) om precies te zijn. Een groep uit dat bisdom komt naar Amsterdam speciaal vanwege Etty Hillesum, die jonge joodse vrouw die tijdens de oorlog aan de Gabriël Metsustraat woonde, op nummer 6, boven wat nu een filiaal van de Fortis-bank is. Het huis kijkt uit over het Museumplein. Dáár schreef zij haar indrukwekkende dagboek waarin en waarmee zij ons, het nageslacht, een prachtig getuigenis heeft nagelaten van hoe dat kán: innerlijk op God gericht zijn en op de wereld zoals God die gedroomd heeft. Vanwege het aanstaand bezoek vanuit Frankrijk herlees ik momenteel dat dagboek waarvan wij ons hier in deze Rozenkransparochie toch wel op een heel bijzondere manier de mede-erfgenamen mogen weten, een erfenis, veelgeliefden, die ik persoonlijk ook als een roeping ervaar. Graag lees ik U aan het einde van deze verkondiging een passage uit dat dagboek van Etty Hillesum voor (12 juli 1942):

"Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, inplaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: Míj zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel wat gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein."[1] Dat is: bruiloftskleding dragen, innerlijk op God gericht zijn, voor Hem werken. Dat ook wij het mogen doen. Amen.