Overweging bij de eerste lezing (2005)

De heer van de machten zal een feestmaal aanrichten. Voor ons allen, daar op die hoge berg Sion bij Jeruzalem. En dat feestmaal zal groot zijn, verrukkelijke spijzen, belegen wijnen, verrukkelijke gerechten. Daar zal de inwendige mens blij van worden! En daar blijft het niet bij. God zal de tranen van onze gezichten vegen en de dood overwinnen. Daar zal een plaats op aarde zijn waar ieder zich veilig en geborgen zal voelen. Waar ieder zichzelf kan en mag zijn. Waar ieder goddelijk schepsel waarlijk mens mag zijn.

De Heer zal de sluier verscheuren die over alle naties ligt. De sluier is voor ons een bedekking van het gezicht en ontneemt ons de mogelijkheid van zicht. Zicht op de werkelijkheid en op de dingen die er gebeuren rondom ons. Als wij de wereld zouden gaan zien door de ogen van God dan zouden ons de schellen van de ogen vallen en zullen wij werken aan het grote feestmaal, voor iedereen.

Zoals de bijbelse teksten dit feestmaal aan ons voorstellen zou dit betekenen dat er eens een aarde bestaat waarop ieder gerespecteerd wordt om wie die is. De vrijheid om voor je eigen geloof en mening uit te komen, politieke rechtvaardigheid. De gelijkwaardigheid tussen

mensen, man en vrouw, blank en zwart, klein, groot, oud, jong; rechtvaardigheid en vrede. Dát is het visioen van het feestmaal. Dat is de plaats waar dan gerechtigheid zal zijn voor allen. Voor alle schepselen op deze aarde, en voor de aarde zelf Dan zal God feest vieren met ons, dan zal Gods koninkrijk op aarde gestalte hebben gekregen. Gods wil zal regeren op onze aarde en dan zullen onze tranen gedroogd zijn en de dood overwonnen.

Samen met alle mensen, de levenden en de doden, zullen wij de lange tocht door de historie die wij samen hebben gemaakt herdenken en samen drinken op het werk dat door ons en onze voorgangers is gedaan om dit feestmaal mogelijk te maken. Wij drinken op het succes van ons handelen. Een handelen dat gestuurd en geïnspireerd is door het werk van de Heilige Geest. Laten wij dan drinken op de overwinning op het kwaad. Als tijdens een veldslag zijn wij tekeer gegaan tegen onrecht, tegen onderdrukking, tegen uitbuiting en uitsluiting. Als een leeuwin hebben wij Gods waarheid verdedigd, Gods vrede gestalte proberen te geven. Keer op keer zijn wij uitgegaan en steeds weer hebben wij een klein stukje van de steppe heroverd. Want ooit is Gods schepping begonnen als een paradijs en naar dat paradijs zullen wij terug keren. Daarvoor hebben wij gestreden, hebben wij gestaan voor Gods Rijk, Gods wil op aarde. Tegenover alle tegenkrachten, andere politieke systemen, andere overtuigingen die ene mens boven de ander stellen.

Wij, wij hebben ons aangesproken gevoeld. Wij hebben ons geroepen gevoeld om aan de totstandkoming van het feestmaal deel te nemen. En niet alleen wij, maar ook onze voorouders. Wij allen, als een grote wolk van getuigen, zijn gaan staan voor Gods vrede en hebben de lans gebroken die deze vrede bedreigd. De oorlogen, de macht van enkelen, de superioriteit op allerlei gebied. Wij zijn als één Volk Gods ons ideaal gaan uitdragen. Wij hebben geprobeerd.
En zie! Daar, daar op die berg! Kijk, daar is het feest! Het is ons gelukt!