Uitgenodigd? (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 554 niet laden
Zeer geachte Heer,

Uw uitnodiging voor het bruiloftsfeest van uw Zoon hebben we in goede orde ontvangen.
Tot onze grote spijt zal niemand van ons gezin acte de presence kunnen geven.
Wij zijn in de weekenden allen stuk voor stuk zeer bezet.
Zelf besteed ik de zondagmorgen aan het bijhouden van vakliteratuur en het regelen van mijn bankzaken.
Mijn echtgenote heeft in het weekend haar speciale verplichtingen als voorzitster van de plaatselijke tennisvereniging.
Onze zoon staat vlak voor een zwaar examen en heeft de zondag nodig voor zijn studie ofwel voor de zo nodige ontspanning.
Rest ons nog onze dochter, die vorig jaar haar eerste communie deed.
Ofschoon zij beschikt over voldoende tijd, heeft ze toch te kennen gegeven er niets voor te voelen alléén naar het feest te gaan.
Waarschijnlijk weet U evengoed als wij, hoe moeilijk de jeugd van tegenwoordig te motiveren is voor belangrijke geestelijke zaken.
Wij staan machteloos.
Wij verzoeken U onze hartelijke gelukwensen en groeten over te brengen aan uw Zoon.
Met de meeste hoogachting.

Beste mensen, voelt u zich uitgenodigd vanmorgen?

Heeft u het gevoel dat God u persoonlijk heeft gevraagd om hier aanwezig te zijn om dit feestmaal met hem en al zijn andere gasten samen te vieren?

Het is niet zozeer de vraag of ik welkom ben in de kerk; ik hoop dat we ons dat allemaal voelen: welkom bij God en in Zijn naam ook bij elkaar. Nee, de vraag van vanmorgen is niet: ben ik uitgenodigd, maar: voel ik me uitgenodigd?

Ik heb zelf wel even moeten nadenken over deze vraag. Naar de kerk gaan lijkt voor mij soms eerder iets geworden, waarheen ik ga omdat ik er iets mag doen, of omdat ik er behoefte aan heb, of omdat er een gebeurtenis is of een intentie waarvoor ik wil bidden, of zomaar, om er even stil te kunnen zijn, rustig te zitten, een enkele keer ook gewoon maar omdat het nu eenmaal zondag is.

Maar de vraag of ik me uitgenodigd voel.... Dat is toch iets anders.

Dat is een omgekeerde beweging; dat is een beweging, die van God uit gaat. Dat veronderstelt een appel, een uitnodiging aan mij persoonlijk. Geen gewetensvraag, geen gebod, maar of ik me aangesproken voel, geheel in vrije wil, om aan dat feest van God deel te nemen.

In heel veel verhalen van Jezus wordt een maaltijd gehouden, worden mensen uitgenodigd om met hem aan tafel te gaan of gaat Jezus zelf bij mensen te gast. En bijna altijd zijn de mensen verguld met zijn aanbod of zijn vraag. Maar in dit verhaal heeft de een na de ander een smoesje. Een leerkracht, die dit verhaal in zijn klas vertelde, vroeg aan de kinderen: waarom zouden die gasten nu allemaal een smoesje hebben, waarom zouden ze niet gewoon blij zijn met een mooi deftig feest, met veel en lekker eten? En een leerling antwoordde toen: misschien zijn ze wel bang dat ze iets terug moeten doen...

Ik weet niet of de leerkracht en de leerling zich realiseerden hoe diepgaand dat antwoord was....

Als je ingaat op een uitnodiging, moet je er ook iets voor doen: je gaat er naar toe in je feestkleren, bijvoorbeeld en niet in de kleren waarmee je net in de tuin hebt gewerkt...

Maar u voelt het aan, Jezus heeft het hier niet letterlijk over de kleding van de gasten. Hij heeft immers de dienaren naar de hoeken van de straten gestuurd om iedereen te vragen, wie ze maar tegenkomen; en het zullen juist de armen en uitgestotenen zijn geweest, die op de hoeken van de straten rondhangen. Van hun kun je geen letterlijke feestkleren verwachten. Maar wat dan? Wat moet iemand aanhebben om niet buiten geworpen te worden, in de duisternis?

In de psalmen en bij de profeten wordt vaak het beeld gebruikt van ‘de mantel der gerechtigheid'. Het lijkt me dat dit dicht komt bij wat de evangelist hier bedoelt. De koning verwacht van zijn gasten een bepaalde houding, een bepaald gedrag, dat past bij dat koninkrijk van God. Want daar ging het allemaal om: het rijk van God, het rijk der hemelen dat lijkt op die koning en zijn feest. Maar het kan pas echt feest zijn, als iedereen daar ook van genieten kan, als iedereen daar iets te vieren voelt, als iedereen zich evenzeer uitgenodigd voelt...

In ons communieproject staat dit verhaal voor de kinderen verteld, en daar ziet de koning een man zitten met een somber gezicht. Hij vraagt: waarom zit jij zo lelijk te kijken? ‘och, ik vind het feest wel leuk, maar ik vind het vervelend dat die man daar ook hier is. Ik kan hem niet uitstaan!' en de koning riep door de zaal: ‘wie jaloers is en niet vergeven kan, heeft geen feesthart en kan hier niet blijven.'

En de kinderen in de nevendienst horen het verhaal van de man die geen corsage op heeft;
De man (of vrouw) van de smoesjes:
mijn kind speelt niet bij Mohammed thuis; zij praten een andere taal.
ik heb het weer druk, buurman;
lieve moeder, volgende week ben ik in de buurt;
beste zieke, als ik weer eens zelf op controle moet in het ziekenhuis, wip ik wel weer binnen;
ik moet nu ook eens aan mezelf denken...
mijn kind moet zich niks laten welgevallen....

(het gaat niet om de beweringen op zich; het gaat om de manier waarop ze gebruikt worden: natuurlijk moet iemand ook aan zichzelf denken, natuurlijk heeft iemand het wel eens te druk, maar vaak wordt het gezegd om iets goed te praten dat men eigenlijk had willen of moeten doen; dan is het: smoesje goed, praatje deugt niet!)

Die corsage, dat is: weg met die smoesjes, dat is onze wil om aan die mooie wereld te werken, ook en eerst hier dicht bij huis, in ons eigen gezin, in de eigen straat, in onze eigen stad. Maar ook met open oog en hart voor de nood verder weg.

Die corsage, dat is die mantel der gerechtigheid, die er voor kan zorgen dat er ooit een tijd komt, zoals de eindtijd die Jesaja in de eerste lezing zo mooi beschrijft: een tijd, dat de zwakke mensen met liefde omringd worden,
dat geweld en wreedheid afgezworen zijn, dat er rust en vrede over ons gekomen zijn.
Daar is geen verdriet meer, en ook de dood zal niet meer zijn.
Dan zal God een fantastisch feestmaal voor ons aanrichten.

Voelt u zich daartoe uitgenodigd? Begint het te kriebelen? Van verlangen of juist van huiver of angst? Ik voel van allebei wat, maar het meeste van die huiver. Want dat feestkleed is toch wel erg kostbaar; misschien juist wel voor ons westerse mensen, die denken dat we toch wel gesetteld zijn, die meestal niet hoeven te overleven op straat, die vaak van onszelf denken dat we het zo slecht nog niet doen....

En dan zijn smoesjes misschien wel een uitkomst..., om het even niet te horen..., om even te denken: och, nu moeten ook die anderen maar eens iets goeds doen, de liefde kan niet steeds van een kant komen...

Voelt u zich nog steeds uitgenodigd?

Ik hoop het, want zo'n bruiloftsfeest verdient het dat iedereen komt en geniet, vanuit een open hart, een feesthart waar plaats is voor iedereen.

Amen.