Alles vermag ik in Hem, die mij kracht geeft (2011)

Vanuit zijn gevangenisschap in Efese was Paulus begaan met de gemeente in Filippi.  Dat was zijn eerste missiepost op Europese bodem.  Hij bleef zich de boottocht herinneren vanuit Troas naar de Europese haven Neapolis (nu Kavala).  Die ging over 200 km zee en duurde wellicht twee dagen.  Vandaar had hij twintig km. te voet afgelegd langs de Via Egnatia om over de Symbolonpas in Filippi te geraken.  Dat was een gebied dat de Romeinen hadden ingepalmd en waar ze hun oud-militairen naar toe stuurden.  De mensen spraken er Latijn en Grieks.  Hoeveel talen kende Paulus?
Paulus had er een goed gehoor gevonden, maar toch ook tegenkanting.  Politiekers hadden niet gaarne dat vreemde invloeden hun gewoonte en hun staatsreligie kwamen storen.  Paulus trok daarop vanuit Filippi naar Tessalonika.

Paulus is een zelfstandig ingesteld man.  Hij heeft niemand nodig, al zal hij de reis niet alleen gegaan zijn.  Wellicht waren Timoteüs (Fil 2,19-22) en Silas met hem mee.  Paulus was geen Einzelgänger.  Hij paste de raad toe om “twee aan twee” te verkondigen.  Dit was overigens veiliger en praktisch op de lange en soms onveilige wegen, die ze te gaan hadden. 

Paulus zal in het gevang de namen opgeroepen hebben van de vrouwen en de mannen, die hem in Filippi opgenomen hebben.  Hij herinnerde zich de mensen, die hij er gedoopt had.  In Filippi zijn het baptisterium en de Lydia-bron tot op onze dagen een aangrijpend getuigenis.  Er waren een aantal huiskerken in Filippi.  Zij hebben Paulus financieel geholpen en Paulus heeft, tegen zijn gewoonte in, hun steun aanvaard.  Filippi is daarmee de enige gemeente van wie hij voor zichzelf geld aangenomen had.  De christenen in Filippe vergaten Paulus evenmin tijdens zijn gevangenisschap.  Ze hadden daartoe Epafroditus afgevaardigd (Fil. 4,18).

 

Paulus dankte de Filippenzen voor hun gaven en hij maakte hen attent op de geestelijke gaven die zij ontvingen.  Er is binnen de kerk een uitwisseling van gaven.  Zo motiveert Paulus later in de Romeinenbrief de collecte die hij in zijn kerken onder de heidenen organiseerde voor de kerk van Jeruzalem (Rom. 15,25-27).  Paulus was nogal gesteld op zijn autonomie.  Hij had het beroep van tentenmaker en oefende dit uit.  Hij had geleerd stand te houden in goede en kwade dagen, in tijden van overvloed en gebrek. 

Zowel rijkdom als armoede zijn een bedreiging voor het volwaardig menszijn.  Het goed omgaan met geld en bezit raakt het apostolisch werk.  Geld en goederen rechtvaardig beheren is een onderdeel van het kerkbeheer.  De financiële toestand van de kerken verschilt van land tot land.  Duitsland kent een kerkbelasting, ‘Kirchensteuer’.  De parochiepriesters zijn er behoorlijk vergoed.  Met ‘le denier des cultes’ brengen de Franse priesters het niet ver.  In ons land ontvangen de erkende godsdiensten voor een aantal taken van de eredienst een steun van de het ministerie van Justitie.  Paulus stond op zijn onafhankelijkheid, al erkent hij dat de arbeider zijn loon waard is (1 Tim. 5,17-18; Lc. 10,7).  U mag immers een dorsend rund niet muilkorven (1 Tim. 5,18).  De oktobermaand is in de katholieke kerk de maand van de kerkelijke solidariteit met kerken in Azië en Afrika.  Solidariteit zonder omwegen, dit is het thema van de oktobercampagne van Missio (Missio.be).  Wekelijks komen van allerlei kanten bedelbrieven in de bus.  Welke aandacht geven we eraan? 
Paulus spreekt nogal stoïcijns en komt op voor zelfredzaamheid en autarchie.  Het is goed kracht te vinden in zichzelf en niet van anderen afhankelijk te zijn.  Maar toch kunnen we niet zonder de anderen.  0p zichzelf steunen betekent niet dat we ons boven de anderen stellen en dat zij op ons geen beroep mogen doen.  Wij zelf hopen in geval van nood bij anderen te mogen aankloppen. 
We zijn tot leven gekomen, wij zijn geboren en gegroeid omdat anderen van bij onze oorsprong voor ons hebben gezorgd.  Je zelf kunnen beredderen, dit mag je niet hoogmoedig maken en van de anderen afscheiden.  Er moet niet veel gebeuren of we beseffen hoe afhankelijk we zijn.  Als we vallen is het niet God die ons komt oprapen, maar de mens die zich bukt.
Paulus heeft een groot vertrouwen in God, die hem geroepen heeft om apostel van Jezus te zijn.  “Ik ben tegen alles bestand door Hem die mij kracht geeft.” (Fil. 4, 13).  Hij schrijft dit vanuit de gevangenis op een moment dat het nog niet zo duidelijk is wat zijn toekomst zal zijn.  “Wij zijn geschreven in de palm van Gods hand” (cf. Jes. 49,16).  Gods aanwezigheid zal zich vooral uiten in de behulpzame aanwezigheid van een medemens.  Wanneer ik val, dan raapt God mij niet op, maar een medemens, misschien een vreemdeling, aan wie ik de dag voordien geen blik gunde.  Paulus weet zich van God afhankelijk.  Daar is zijn sterkte.  “Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft.”  Dit fundamentele vertrouwen wil hij aan zijn vrienden in Filippi meegeven.  Hij eindigt met een wens en een gebed.  Het is een dankgebed om Gods heerlijkheid.  “Mijn God zal uit de overvloed van zijn majesteit elk tekort van u aanvullen, door Christus Jezus.  Aan onze God en Vader komt de eer toe in alle eeuwigheid.  Amen.” 

“Vergelt’s Gott”, “Moge God het vergelden”, een mooie wens, die gemakkelijk wordt gezegd en toch iets meer moet zijn dan een vroom woord.  Het moet gepaard gaan met een dankbaar hart, dat nooit het goede vergeet dat het mag ontvangen.