* De voorgelezen parabel is tevens een antwoord van Jezus op Petrus' vraag: "Hoe vaak moeten wij vergiffenis schenken ? Zevenmaal ? " - Jezus zegt: " 70 x 7 ". Dit is een Semitische uitdrukking, die betekent: mateloos, grenzeloos, eindeloos. - Deze parabel valt open in twee luiken:
1. Vooreerst het verhaal van de man die aan de koning 10.000 talenten schuldig is. Dat is een enorm bedrag. Eén talent is 6000 drachmen of denariën. Met 2 denariën per dag kon men in Jezus' tijd een gezin voeden. Dan kan een gezin met 10.000 talenten - en dat is onvoorstelbaar, schrik niet - duizenden jaren (80.000 jaar) leven ! Het gaat dus om een bedrag dat menselijk niet uitkeerbaar is, en ook niet opbruikbaar is. Deze schuld wordt uitgewist !
- Die koning is het beeld van God, die mateloos geschonken heeft, en mateloos vergeeft, zonder tegenprestatie. Het beeld van de barmhartige God was reeds in het O.T. verkondigd: "Uw barmhartigheid, Heer, zal ik in eeuwigheid bezingen" (Ps 89,1); "Scheur uw hart en niet uw kleren, want God is barmhartig" (Joel 2,13); "Ik zal de gloed van mijn woede niet botvieren... want God ben Ik en geen mens" (Hos 11,9). - Het is het grote thema van het N.T. Het komt er voortdurend terug: "God heeft de wereld in Christus met zich verzoend, en de zonden van de mensen niet in rekening gebracht" (2 Kor 5,19). Dit beeld van God komt steeds weer terug in de parabelen van de Goede Herder, die alles doet om het verloren schaap terug te vinden, de barmhartige Vader tegenover de verloren zoon, de barmhartige Samaritaan tegenover de neergeknuppelde Jood, de houding van Jezus tegenover de verlopen vrouw, tegenover Petrus die Hem verloochend heeft, tegenover de goede moordenaar. Zijn uitspraak op Calvarie: "Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen" (Lc 23,34). En daarna een echo bij de gestenigde H. Stefanus: "Heer, reken hun deze zonde niet aan" (Hand 7,60).
- Barmhartigheid is de specialiteit van God; niet van de mens. Het woord "barmhartigheid" heeft in zijn Hebreeuwse vorm ("Rahamim") te maken met de moederschoot: het diepere in de mens, waar het leven wordt ontvangen, gekoesterd en afgegeven. Het is de gevoelige en tedere plaats waar de mens ten diepste wordt gekwetst, waar de mens gaat trillen van bewogenheid, waar de hevigste ontroering loskomt in golven. In het Nederlands zeggen wij: "Barmhartigheid": het hart dat in golven (barmen) slaat. Alles wordt vergeven !
2. Het tweede luik vormt een tegenhanger. Dezelfde dienaar, bevrijd van zijn boete, ontmoet op zijn beurt zijn schuldenaar. En deze is hem slechts 100 denariën schuldig, het bedrag om 50 dagen (nog geen 2 maand) met zijn gezin te leven. En hij wil hem die som niet kwijtschelden. Dat komt de koning ter ore. Die is woedend, en de straf voor de eerste wordt gewoon verschrikkelijk: (a) Er worden beulen bijgeroepen. De foltering was vreemd in Palestina; ze was heidens. Wellicht alleen onder Herodes werd ze toegediend. Dat merkt de wreedheid van de straf. (b) Meer nog. De onnoemelijke schuld moet hij nu toch betalen. Die schuld is de prijs van de verlossing en eeuwige deelname aan Gods liefde. Zo groot als de schuld is, zolang zal de straf duren: uitzichtloos. Op dergelijke Jezuswoorden stoelt de theologie van de hel ! Wie nee zegt aan Gods goedheid, wordt in de haat bevestigd.
- De mateloze vergevensgezindheid van God wordt geconditioneerd door de onze. We horen het in het Onzevader: "Vergeef ons onze schulden zoals ook wij aan anderen..." - U kent de tekst: "Als gij uw gave komt brengen voor het altaar, en daar schiet u te binnen dat uw broer... Laat dan uw gave achter..." (Mt 5,23-24). - Dat is het uitgangspunt van onze liturgie: voor de H. Mis kwam men vaak eerst te biechten; bij de aanvang bidden we de schuldbelijdenis en zeggen we: "Heer, ontferm U...". En vlak voor de H. Communie zingen we: "Lam Gods... ontferm U over ons"... We zongen in het intredelied: "Wie naar het altaar gaat... " (ZJ 534). We hoorden het in de eerste lezing (Sir 28,2).
- Doch dat doen we niet uit eigen kracht. God is het uitgangspunt, want het is zijn specialiteit. "Zoals de Heer vergeeft moeten we aan anderen vergeven" (Kol 3,13); "Wees barmhartig zoals uw hemelse Vader..." (Lc 6,36). - Dom Louf, gewezen abt van de Abdij van de Catsberg, zei het eens zo: "Het hart dat eerst door Gods barmhartigheid werd geraakt, en erdoor is verbrand, is grondig gewijzigd; het stenen hart is van vlees geworden. Dan leent God zijn eigen hart uit aan wie Hij vergeving schenkt, zodat deze ook kan vergeven." - De Zwitserse dominee Lytta Basset zei niets nieuws toen ze vorig jaar in Antwerpen en in Kortrijk zei dat de vergeving een diep proces van bevrijding is, en dat God zelf in de gekrente mens vergeving schenkt. Zo worden we partners in Gods verzoeningswerk. - Wie familie is van God zal vergiffenis schenken. Maar dit is maar mogelijk als we biddend leven in dialoog met de levende God. - Vijf jaar terug zei onze Paus in Serajevo: "Heb de moed om vergeving te vragen en om vergeving te schenken". Beide vragen grote deemoed. Vergeven is niet verliezen. Het is winnen.